Documenten

Hieronder vindt u een totaal overzicht een aantal eigen documenten en  van oude documenten die in het Regionaal Archief Alkmaar aanwezig zijn. Sommige onderdelen hiervan zijn aan te klikken en door te lezen.

De documenten over de Starnmeer bestaan slechts in originele vorm, er zijn dus nog geen digitale kopieën, laat staan tot tekst teruggebrachte digitale documenten. Mijn doel is om dit in de toekomst 1 voor 1 wel digitaal beschikbaar te maken, aangezien de bronnen boordevol informatie staan.


0 – Geschiedenis van de polder en zijn archief.

De Starnmeer en de Kamerhop – kortweg de Starnmeer 1) – is een van de vele droogmakerijen van het land boven het IJ die in het begin van de 17e eeuw zijn drooggelegd. Het meer grensde ten Noorden aan het Schermereiland – de huidige Eilandspolder ten Oosten aan de Beemster en de tegenwoordige polder Wormer, Jisp en Neck, ten Zuiden en ten Westen aan de Wouden en de Krommeniër Woudpolder.

De plannen voor de drooglegging van dit meer zijn van de hand van Leechwater, waarvan enkele ons in de originali zijn overgeleverd, zoals de ontwerpen voor de ringsloten en -dijken, de berekeningen daarvoor en een bestek voor de molens die het meer moesten droogmalen.2)

Hoewel er voor het octrooi van bedijking meerdere gegadigden waren is dit uiteindelijk op naam van de regenten van de Rijp gesteld. Waarschijnlijk omdat hun beweegredenen tot de bedijking van de Starnmeer het vinden van middelen tot vergroting en onderhoud van kerk, predikant pastorie en armen- bij de Staten van Holland het meest gehoor vonden.

Verkregen de regenten van de Rijp het octrooi in 1632, tien jaar later kon men pas beginnen met droogmalen. 3) Niet alleen waren er in deze periode vele moeilijkheden met de stad Alkmaar en het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en Westfriesland, ook het karakter van de onderneming veranderde ten gevolge van deze geschillen. Immers, de eisen die vooral Alkmaar stelde ten aanzien van de Waterstaatswerken in verband met de bedijking van de Schermeer waarin zij voor een zeer groot deel participeerde, waren zo hoog, dat de regenten het in 1638 niet meer konden bolwerken en af moesten haken. Gelukkig hebben toen de steden Hoorn, Enkhuizen, Purmerend en enkele financieel draagkrachtige kooplieden uit Amsterdam- aandeelhouders in de toekomstige gronden van de Starnmeer- de onderneming, waarvan al zoveel ten koste was gelegd, voortgezet. Het oorspronkelijke doel werd echter niet bereikt en ook de zo hooggespannen verwachtingen ten aanzien van de kwaliteit van de grond en het profijt ervan deden de hele onderneming op een bittere teleurstelling uitdraaien.

Het bestuur werd aanvankelijk gevormd door een dijkgraaf, zes heemraden en hoofdingelanden. Dijkgraaf en heemraden vormden het dagelijks bestuur. Hoewel zij sinds 1633 reeds als zodanig optraden, was er in het bedijkings-octrooi over hun bevoegdheid niets geregeld. Hierdoor ontstonden er moeilijkheden met de overige regenten van de Rijp die hen hun rechtsbevoegdheid in waterstaatszaken betwistten. Zij richten zich daarom tot de Staten van Holland, die in 1639 niet alleen deze zaak, maar ook de verkiezing van de dijkgraaf bij aanvulling op het octrooi regelden. 5)

En hiermee waren zij een zelfstandige college geworden, onafhankelijk van de vroedschap van de Rijp. In de loop der tijd zijn de aantallen van heemraden en hoofdingelanden nogal eens veranderd. De laatste keer, in 1864, bracht het Bijzonder Reglement voor de Starnmeer en Kamerhop het aantal heemraden op twee, dat van de hoofdingelanden op acht, waaronder twee heemraden. De heemraden werden gekozen voor zes jaar, de hoofdingelanden voor vier. Degenene die ophield hoofdingeland te zijn, moest tevens als heemraad afstand doen van zijn functie. Trad de heemraad als hoofdingeland af en werd hij herkozen, dan bleef heemraad totdat hij als zodanig moest aftreden. Stemgerechtigd was men als men één bunder land bezat. 7) In 1876 meenden de ingelanden van het Kamerhop zich te moeten afscheiden van de rest van de Starnmeer tengevolge van de hoge polderlasten, veroorzaakt door de stichting van een stoomgemaal in de Starnmeer waar het Kamerhop niets aan had. De berekeningen wezen echter uit dat in geval van afscheiding de polderlasten nog veel hoger zouden worden en men zag hier dus vanaf. 8) De Starnmeer en Kamerhop zijn per 1 januari 1977 opgeheven in het kader van “Lange Rond”, een van de acht grote waterschappen waarin men deze provincie tenslotte wil verdelen. Wat de ambtenaren betreft, beschikte het college in de beginjaren over een secretaris en een penningmeester. Toen deze eerste penningmeester, Pieter Menten, ontslagen werd wegens financiele malversaties, werd deze taak aan de secretaris opgedragen. Sinds die tijd is er tot de opheffing van het waterschap in 1977 altijd een secretaris-penningmeester geweest. Deze penningmeester legde elk jaar, op de rekendag, verantwoording af voor zijn financieel beleid aan het voltallige bestuur. Vervolgens werd de omslag vastgesteld en werden er zonodig verkiezingen gehouden. Deze en andere vergaderingen werden op het stadhuis in de Rijp gehouden daar het college geen eigen vergaderplaats had. Hiet hield de penningmeester ook zitdagen, want blijkens een resolutie moest men de omslag op eigen kosten in de Rijp komen betalen. 9) Omstreeks 1782 kwam het college bijeen in de Starnmeer, in het huis van zekere weduwe Nooy, die na het overlijden van haar man het veer Laanweg-Oosterbuurt pachtte. Wegens bouwvalligheid van het huis kochten dijkgraaf en heemraden dit in 1785 om het af te breken en er een nieuw neer te zetten. 10)

Sinds 1976 vergaderde het college hier definitief. Het huis- het Heerenhuis genaamd- werd aan de weduwe en haar nakomelingen verpacht in combinatie met het bovengenoemde veer. Naast deze secretaris-penningmeester, in 1649 aangesteld op verzoek van de ingelanden om beter toezicht op de molenaars te kunnen houden. Naderhand, in 1699, kregen ze er de taak van hooischatter en steker bij. De taak van het college bestond in het onderhoud van en toezicht op de waterstaatswerken om en in de Starnmeer, waaronder het onderhoud van de ringsloten. De ringsloten maakten deel uit van de Schermerboezem en waren als zodanig onderworpen aan het toezicht van dijkgraaf en hoogheemraden van Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en Westfriesland, waartoe dit college een maal per jaar schouw voerde. Dijkgraaf en heemraden van de Starnmeer werden geacht mee te gaan op deze inspectietocht. Na afloop hiervan werd er dan met de heren van het hoogheemraadschap in de Starnmeer zeer copieus gegeten, zoals ons een instructie voor die schouw maaltijd toont. 10)

De Zuidelijke Eilandsdijk – de Noordelijkste Noorderring

dijk-, volgens contract van 1638 eveneens in onderhoud bij de Starnmeer, was onderworpen aan de schouw van schout en schepenen van Graft, de Rijp en Zuid-Schermer, zoals ook de Oostelijke dijk van het Kamerhop die dat van oudsher al geweest was. Binnen de ringdijken bestond een groot deel van de zorg in het onderhoud van de zeven watermolens, die successievelijk alle verdwenen zijn, de laatste Twee rond 1922 tengevolge van de stichting van een electrisch

gemaal. 12) Naast hun rechtelijke taak in de dijkzaken bezat het college sinds 1658 ook voluntaire jurisdictie die zij tot 1811 hebben uitgeoefend. Ook werden zij belast met het heffen van oorlogslasten en landsbelastingen en bezaten zij de verpachting van het jacht-, vis- en veerrecht. Het octrooi voor dit laatste recht, daterend van 1645, gold voor drie veren, nl. een veer op Oost-Knollendam, een van het Kamerhop op de Beemster en een veer van de Starnmeer op het Kamerhop. Ook de veren verdwenen, de een na de ander. Het laatste veer, dat van de Starnmeer op het Kamerhop, omstreeks 1969 door een ongeluk tot zinken en is sindsdien niet meer in de vaart gebracht. 13) Militaire betekenis heeft de Starnmeer gehad als onderdeel van de stelling Amsterdam, aangelegd in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw. In de tweede wereldoorlog is de polder twee keer geïnundeerd geweest, in 1940 en 1944. 14)

LOTGEVALLEN VAN HET ARCHIEF

Vermoedelijk heeft het archief totdat het college een eigen huis had, bij de secretaris-penningmeester berust. Een resolutie om de secretaris-penningmeester iets extra’s te geven voor zijn goede zorgen voor o.a. het archief tijdens een brand wijst in die richting: “Item isde penningmeester op zijn versoeck bij request toegestaan 10 dukatons van de Starnmeer te moge geniete over de vygelantheyt van de zalveringh der Starnmeergelden en boecken uyt dien brant die naest zynent yut de gortery is ontstaan, dat ick zelven aengesien heb, over zuickx met waerheyt onbekommert magh zegge voorgevallen in ’t jaer 1674”. 15)

Vervolgens heeft men in 1688 besloten een inventaris te maken, maar deze is helaas niet overgeleverd. 16) Mogelijk is het grootste deel van het archief naderhand in het Herenhuis bewaard en het lopend gedeelte bij de secretaris thuis. In elk geval werd een dergelijke toestand in 1931 daar aangetroffen. 17) In de jaren 1931-1932 is het archief evenals veel andere polderarchieven op het Rijksarchief in Haarlem door van Es geinventariseerd. 18) In verband met de oorlogse handelingen heeft men in 1941 een archiefkluis in het Herenhuis laten maken. 19)

STRUCTUUR EN BEWERKING

Zoals veel oude archieven bestond ook dit archief uit enerzijds verschillende series en anderzijds een aantal zaaksgewijs geordende stukken en losse stukken. Een oude orde was niet te ontdekken. De ordening waarin het archief werd aangetroffen was aangebracht door G. van Es commies op het Rijksarchief in Noord-Holland. Hoewel hij eigenlijk alleen maar een inventarislijst maakte, zijn zijn verdiensten voor dit archief en de vele andere die hij onderhanden nam van onschatbare waarde. Op deze manier nl. werd veel bewaard wat anders misschien verloren zou zijn gegaan. De series van algemene aard, resoluties, notulen en – behoudens enkele uitzonderingen- de gezegelde acten met de reperoires daarop heb ik ondergebracht in de z.g. generalia-afdeling van het archief. De zaaksgewijze geordende en losse stukken zijn met de series betreffende bijzondere onderwerpen, zoals rekeningen, kohieren etc. bepaald door taken en inrichting van bestuur, in de specialia-afdeling geordend. Daar er, zoals reeds gezegd, geen oude orde bestond, heb ik van de ingekomen en minuten van uitgaande stukken ook zoveel mogelijk dossiers gevormd. Op deze manier is de toch nog aanmerkelijke hoeveelheid van deze stukken die overbleef eenigszins te overzien. De aankopen van land en attestaties van het onbezwaard zijn van dat land ten behoeve van de dijkage, waarvan met series had gemaakt, zijn omwille van de overzichtelijkheid regionaal geordend. Aanbestedingen van werken die na de bedijkingsperiode zijn uitgevoerd, maar een uitvloeisel zijn van overeenkomsten, gesloten in verband met de bedijking heb ik onder het hoofdstuk bedijking geplaatst. Het archief is openbaar, met uitzondering van enkele stukken waarvoor een openbaarheidsbeperking van 75 jaar geldt.

NOTEN

1). In deze inventaris is het begrip “Starnmeer” gebruikt voor beide polderdelen, Starnmeer en Kamerhop. Waar dat niet zo is, blijkt dat duidelijk uit de beschrijving van de stukken. De Starnmeer en Kamerhop zijn waterstaatskundig gescheiden door het graven van de Noorderringsloot in 1638. Bestuurlijk vormden zij wel een geheel. Voor de allervroegste geschiedenis van de droogmakerij zie mijn inventaris archief van de Rijp, nr.9.

2). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 260-265-279.

3). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 1,fol. 60.

4). Zie bijlage nummer, I-II-III-V en VI.

5). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 214-

219,221-225.

6). Zie bijlage Blad, 1864, nr. 32.

7). Provinciaal Blad, 1864, nr. 32

8). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 34

9). Idem nr. 1, fol. 73.

10). Idem nr. 93.

11). Idem nr. 318.

12). Idem nr. 451.

13). Idem nr. 495 en 496.

14). Idem nr. 376 en 368.

15). Idem nr. 1, fol. 142.

16). Idem nr. 164.

17). Idem nr. 109

18). Idem nr. 111.

19). Idem nr. 113.


1 – Stukken van algemene aard

Stukken van algemene aard.


Bron: Regionaal Archief Alkmaar

0 - GESCHIEDENIS VAN DE POLDER EN ZIJN ARCHIEF

De Starnmeer en de Kamerhop - kortweg de Starnmeer 1) - is een van de vele droogmakerijen van het land boven het IJ die in het begin van de 17e eeuw zijn drooggelegd. Het meer grensde ten Noorden aan het Schermereiland - de huidige Eilandspolder ten Oosten aan de Beemster en de tegenwoordige polder Wormer, Jisp en Neck, ten Zuiden en ten Westen aan de Wouden en de Krommeniër Woudpolder.

De plannen voor de drooglegging van dit meer zijn van de hand van Leechwater, waarvan enkele ons in de originali zijn overgeleverd, zoals de ontwerpen voor de ringsloten en -dijken, de berekeningen daarvoor en een bestek voor de molens die het meer moesten droogmalen.2)

Hoewel er voor het octrooi van bedijking meerdere gegadigden waren is dit uiteindelijk op naam van de regenten van de Rijp gesteld. Waarschijnlijk omdat hun beweegredenen tot de bedijking van de Starnmeer het vinden van middelen tot vergroting en onderhoud van kerk, predikant pastorie en armen- bij de Staten van Holland het meest gehoor vonden.

Verkregen de regenten van de Rijp het octrooi in 1632, tien jaar later kon men pas beginnen met droogmalen. 3) Niet alleen waren er in deze periode vele moeilijkheden met de stad Alkmaar en het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en Westfriesland, ook het karakter van de onderneming veranderde ten gevolge van deze geschillen. Immers, de eisen die vooral Alkmaar stelde ten aanzien van de Waterstaatswerken in verband met de bedijking van de Schermeer waarin zij voor een zeer groot deel participeerde, waren zo hoog, dat de regenten het in 1638 niet meer konden bolwerken en af moesten haken. Gelukkig hebben toen de steden Hoorn, Enkhuizen, Purmerend en enkele financieel draagkrachtige kooplieden uit Amsterdam- aandeelhouders in de toekomstige gronden van de Starnmeer- de onderneming, waarvan al zoveel ten koste was gelegd, voortgezet. Het oorspronkelijke doel werd echter niet bereikt en ook de zo hooggespannen verwachtingen ten aanzien van de kwaliteit van de grond en het profijt ervan deden de hele onderneming op een bittere teleurstelling uitdraaien.

Het bestuur werd aanvankelijk gevormd door een dijkgraaf, zes heemraden en hoofdingelanden. Dijkgraaf en heemraden vormden het dagelijks bestuur. Hoewel zij sinds 1633 reeds als zodanig optraden, was er in het bedijkings-octrooi over hun bevoegdheid niets geregeld. Hierdoor ontstonden er moeilijkheden met de overige regenten van de Rijp die hen hun rechtsbevoegdheid in waterstaatszaken betwistten. Zij richten zich daarom tot de Staten van Holland, die in 1639 niet alleen deze zaak, maar ook de verkiezing van de dijkgraaf bij aanvulling op het octrooi regelden. 5)

En hiermee waren zij een zelfstandige college geworden, onafhankelijk van de vroedschap van de Rijp. In de loop der tijd zijn de aantallen van heemraden en hoofdingelanden nogal eens veranderd. De laatste keer, in 1864, bracht het Bijzonder Reglement voor de Starnmeer en Kamerhop het aantal heemraden op twee, dat van de hoofdingelanden op acht, waaronder twee heemraden. De heemraden werden gekozen voor zes jaar, de hoofdingelanden voor vier. Degenene die ophield hoofdingeland te zijn, moest tevens als heemraad afstand doen van zijn functie. Trad de heemraad als hoofdingeland af en werd hij herkozen, dan bleef heemraad totdat hij als zodanig moest aftreden. Stemgerechtigd was men als men één bunder land bezat. 7) In 1876 meenden de ingelanden van het Kamerhop zich te moeten afscheiden van de rest van de Starnmeer tengevolge van de hoge polderlasten, veroorzaakt door de stichting van een stoomgemaal in de Starnmeer waar het Kamerhop niets aan had. De berekeningen wezen echter uit dat in geval van afscheiding de polderlasten nog veel hoger zouden worden en men zag hier dus vanaf. 8) De Starnmeer en Kamerhop zijn per 1 januari 1977 opgeheven in het kader van "Lange Rond", een van de acht grote waterschappen waarin men deze provincie tenslotte wil verdelen. Wat de ambtenaren betreft, beschikte het college in de beginjaren over een secretaris en een penningmeester. Toen deze eerste penningmeester, Pieter Menten, ontslagen werd wegens financiele malversaties, werd deze taak aan de secretaris opgedragen. Sinds die tijd is er tot de opheffing van het waterschap in 1977 altijd een secretaris-penningmeester geweest. Deze penningmeester legde elk jaar, op de rekendag, verantwoording af voor zijn financieel beleid aan het voltallige bestuur. Vervolgens werd de omslag vastgesteld en werden er zonodig verkiezingen gehouden. Deze en andere vergaderingen werden op het stadhuis in de Rijp gehouden daar het college geen eigen vergaderplaats had. Hiet hield de penningmeester ook zitdagen, want blijkens een resolutie moest men de omslag op eigen kosten in de Rijp komen betalen. 9) Omstreeks 1782 kwam het college bijeen in de Starnmeer, in het huis van zekere weduwe Nooy, die na het overlijden van haar man het veer Laanweg-Oosterbuurt pachtte. Wegens bouwvalligheid van het huis kochten dijkgraaf en heemraden dit in 1785 om het af te breken en er een nieuw neer te zetten. 10)

Sinds 1976 vergaderde het college hier definitief. Het huis- het Heerenhuis genaamd- werd aan de weduwe en haar nakomelingen verpacht in combinatie met het bovengenoemde veer. Naast deze secretaris-penningmeester, in 1649 aangesteld op verzoek van de ingelanden om beter toezicht op de molenaars te kunnen houden. Naderhand, in 1699, kregen ze er de taak van hooischatter en steker bij. De taak van het college bestond in het onderhoud van en toezicht op de waterstaatswerken om en in de Starnmeer, waaronder het onderhoud van de ringsloten. De ringsloten maakten deel uit van de Schermerboezem en waren als zodanig onderworpen aan het toezicht van dijkgraaf en hoogheemraden van Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en Westfriesland, waartoe dit college een maal per jaar schouw voerde. Dijkgraaf en heemraden van de Starnmeer werden geacht mee te gaan op deze inspectietocht. Na afloop hiervan werd er dan met de heren van het hoogheemraadschap in de Starnmeer zeer copieus gegeten, zoals ons een instructie voor die schouw maaltijd toont. 10)

De Zuidelijke Eilandsdijk - de Noordelijkste Noorderring

dijk-, volgens contract van 1638 eveneens in onderhoud bij de Starnmeer, was onderworpen aan de schouw van schout en schepenen van Graft, de Rijp en Zuid-Schermer, zoals ook de Oostelijke dijk van het Kamerhop die dat van oudsher al geweest was. Binnen de ringdijken bestond een groot deel van de zorg in het onderhoud van de zeven watermolens, die successievelijk alle verdwenen zijn, de laatste Twee rond 1922 tengevolge van de stichting van een electrisch

gemaal. 12) Naast hun rechtelijke taak in de dijkzaken bezat het college sinds 1658 ook voluntaire jurisdictie die zij tot 1811 hebben uitgeoefend. Ook werden zij belast met het heffen van oorlogslasten en landsbelastingen en bezaten zij de verpachting van het jacht-, vis- en veerrecht. Het octrooi voor dit laatste recht, daterend van 1645, gold voor drie veren, nl. een veer op Oost-Knollendam, een van het Kamerhop op de Beemster en een veer van de Starnmeer op het Kamerhop. Ook de veren verdwenen, de een na de ander. Het laatste veer, dat van de Starnmeer op het Kamerhop, omstreeks 1969 door een ongeluk tot zinken en is sindsdien niet meer in de vaart gebracht. 13) Militaire betekenis heeft de Starnmeer gehad als onderdeel van de stelling Amsterdam, aangelegd in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw. In de tweede wereldoorlog is de polder twee keer geïnundeerd geweest, in 1940 en 1944. 14)

LOTGEVALLEN VAN HET ARCHIEF

Vermoedelijk heeft het archief totdat het college een eigen huis had, bij de secretaris-penningmeester berust. Een resolutie om de secretaris-penningmeester iets extra's te geven voor zijn goede zorgen voor o.a. het archief tijdens een brand wijst in die richting: "Item isde penningmeester op zijn versoeck bij request toegestaan 10 dukatons van de Starnmeer te moge geniete over de vygelantheyt van de zalveringh der Starnmeergelden en boecken uyt dien brant die naest zynent yut de gortery is ontstaan, dat ick zelven aengesien heb, over zuickx met waerheyt onbekommert magh zegge voorgevallen in 't jaer 1674". 15)

Vervolgens heeft men in 1688 besloten een inventaris te maken, maar deze is helaas niet overgeleverd. 16) Mogelijk is het grootste deel van het archief naderhand in het Herenhuis bewaard en het lopend gedeelte bij de secretaris thuis. In elk geval werd een dergelijke toestand in 1931 daar aangetroffen. 17) In de jaren 1931-1932 is het archief evenals veel andere polderarchieven op het Rijksarchief in Haarlem door van Es geinventariseerd. 18) In verband met de oorlogse handelingen heeft men in 1941 een archiefkluis in het Herenhuis laten maken. 19)

STRUCTUUR EN BEWERKING

Zoals veel oude archieven bestond ook dit archief uit enerzijds verschillende series en anderzijds een aantal zaaksgewijs geordende stukken en losse stukken. Een oude orde was niet te ontdekken. De ordening waarin het archief werd aangetroffen was aangebracht door G. van Es commies op het Rijksarchief in Noord-Holland. Hoewel hij eigenlijk alleen maar een inventarislijst maakte, zijn zijn verdiensten voor dit archief en de vele andere die hij onderhanden nam van onschatbare waarde. Op deze manier nl. werd veel bewaard wat anders misschien verloren zou zijn gegaan. De series van algemene aard, resoluties, notulen en - behoudens enkele uitzonderingen- de gezegelde acten met de reperoires daarop heb ik ondergebracht in de z.g. generalia-afdeling van het archief. De zaaksgewijze geordende en losse stukken zijn met de series betreffende bijzondere onderwerpen, zoals rekeningen, kohieren etc. bepaald door taken en inrichting van bestuur, in de specialia-afdeling geordend. Daar er, zoals reeds gezegd, geen oude orde bestond, heb ik van de ingekomen en minuten van uitgaande stukken ook zoveel mogelijk dossiers gevormd. Op deze manier is de toch nog aanmerkelijke hoeveelheid van deze stukken die overbleef eenigszins te overzien. De aankopen van land en attestaties van het onbezwaard zijn van dat land ten behoeve van de dijkage, waarvan met series had gemaakt, zijn omwille van de overzichtelijkheid regionaal geordend. Aanbestedingen van werken die na de bedijkingsperiode zijn uitgevoerd, maar een uitvloeisel zijn van overeenkomsten, gesloten in verband met de bedijking heb ik onder het hoofdstuk bedijking geplaatst. Het archief is openbaar, met uitzondering van enkele stukken waarvoor een openbaarheidsbeperking van 75 jaar geldt.

NOTEN

1). In deze inventaris is het begrip "Starnmeer" gebruikt voor beide polderdelen, Starnmeer en Kamerhop. Waar dat niet zo is, blijkt dat duidelijk uit de beschrijving van de stukken. De Starnmeer en Kamerhop zijn waterstaatskundig gescheiden door het graven van de Noorderringsloot in 1638. Bestuurlijk vormden zij wel een geheel. Voor de allervroegste geschiedenis van de droogmakerij zie mijn inventaris archief van de Rijp, nr.9.

2). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 260-265-279.

3). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 1,fol. 60.

4). Zie bijlage nummer, I-II-III-V en VI.

5). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 214-

219,221-225.

6). Zie bijlage Blad, 1864, nr. 32.

7). Provinciaal Blad, 1864, nr. 32

8). Inventaris archief Starnmeer en Kamerhop, nr. 34

9). Idem nr. 1, fol. 73.

10). Idem nr. 93.

11). Idem nr. 318.

12). Idem nr. 451.

13). Idem nr. 495 en 496.

14). Idem nr. 376 en 368.

15). Idem nr. 1, fol. 142.

16). Idem nr. 164.

17). Idem nr. 109

18). Idem nr. 111.

19). Idem nr. 113.

Reageren is niet mogelijk