Het levensverhaal van Neeltje Bus

“Ik ben geboren in 1888 als enige dochter in het gezin van Maarten Bus aan de Kanaaldijk, gemeente Jisp. Mijn broer Maarten was twee jaar ouder. Na mij kwamen nog mijn jongere broers Piet en Dirk.
In de boerderij waar we woonden waren maar twee kamers. Kookgelegenheid was in de stal. Er was een inwonende dienstmeid en een knecht. De knecht sliep in een bedstede in de stal. In de woonkamer waren twee bedsteden. In de ene sliepen vader en moeder. Aan het voeteneinde was een houten bak, de kreb, waar de jongste sliep. In de andere bedstede sliepen de dienstbode en ik, bovenin. Daaronder sliepen de broers.
Op 6 jarige leeftijd ging ik naar de lagere school in Oost-Graftdijk. Ongeveer een uur lopen, op klompen. Halverwege moesten we over het kanaal, met een roeiboot. Soms met het pont, als dat toevallig over ging met een rijtuig.
Als het erg slecht weer was, veel wind of regen, mochten we thuisblijven.
We hadden altijd brood mee naar school. Het was te ver om tussen de middag thuis te komen. Wanneer het slecht weer werd terwijl we op school zaten, werden we soms wel eens met een rijtuig opgehaald, maar dat gebeurde niet vaak.
Het hoofd van de school was erg goed. Op zo’n dorp lijken ze wel een burgemeester. Hij leidde alle verenigingen. Het huis van de meester was naast de school. De juffrouw woonde daar ook.
Ik leerde makkelijk en mocht na een half jaar met de juf mee naar de tweede klas. Er waren niet meer dan zes klassen. Daardoor heb ik de zesde klas twee keer gedaan. ik moest alles hetzelfde doen. Alleen voor rekenen kreeg je een apart boekje.
Toen ik twaalf was, ging ik van de school af en na een half jaar ging de dienstbode weg. Ik deed nu het werk dat zij daarvoor deed. Naast het werk moest ik naaien en er was altijd wel wat te naaien, natuurlijk. er werd ook kaas gemaakt en dat gaf veel werk. Het kaasmaken gebeurde in de stal. ’s Zomers gaf dat geen problemen, maar ’s winters maakten we enkele maanden geen kaas. Dan werd een kalf gemest van die melk.
In die tijd gebeurde het nooit dat kineren na de lagere school verder leerden. Mijn oudere broer wilde geen boer worden, hij ging na de lagere school bij een oom wonen, die bakker was.
Toen mijn volgende broer, Piet, twaalf werd, vertrok ook de knecht. Het werd nu wat ruimer. de bedstede in stal werd omgezet naar de kamer en daar kon ik in slapen. De twee broers sliepen nu in het bovenbed. Het onderbed, of de onderkooi, werd gebruikt als bergplaats voor de spullen van het Witte Kruis. Hiervoor kregen we elk jaar een potje boter.
Nadat ik van school af was, viel er niet veel meer te leren. Andere scholen waren te ver weg en er waren geen fietsen. Ik heb alleen patroontekenen geleerd, in Purmerend. Dat was anderhalf uur lopen. ’s Woensdags heen en vrijdags terug. Ik kon blijven slapen bij een tante in Purmerend. Dat heb ik twee weken gedaan. Toen moest ik het maar kunnen. Het naaien moest ik al doende leren. Ik ben ook nog korte tijd op een zangvereniging in Knollendam geweest. Dat was maar een uur lopen. Maar het bleek dat ik niet kon zingen, dus dat ging niet door. Ik ben wel naar de catechisatie gweest. Op mijn 18e ben ik aangenomen.
Toen Maarten bij de Bakker woonde, kwam hij nog iedere zondag thuis met zijn vuile was. Later ging hij bij een andere bakker werken. Toen ik later een fiets had, mocht ik wel eens zijn was verruilen. Dat was soms heel interessant: op de fiets naar Schagen, bijvoorbeeld.
Naast werk was er niet veel anders. als het in de winter niet zo druk was, mocht ik een week logeren bij mijn grootouders in Zaandijk. Dan kon ik meteen de andere familie bezoeken.
Als er iets gekocht moest worden, gingen we dinsdags naar de markt in Purmerend. Mijn vader ging met paard en wagen. ’s Winters met de trekschuit. Soms mocht ik mee. Het was lekker warm in de roef van de schuit. Als mijn vader met de trekschuit mee wilde, moest ik op de dijk gaan staan om de baas van de schuit een sein te geven dat er een passagier was. Het paard, dat aan de lijn liep en zo de schuit trok, liep aan de overkant van het kanaal.
Veel schepen werden door een paard getrokken, als er niet genoeg wind was voor een zeil. Er was toen al een vaste stoombootverbinding van amsterdam naar Den Helder. Die voer vlak langs ons huis en dan wisten we hoe laat het was. een ging ’s avonds om half zeven. Toen we heel klein waren, was dat voor ons de “bedboot”. Er was ook een boot van Alkmaar naar Amsterdam, met een zijtak De Rijp-Knollendam. Dat was de boot waarmee wij naar de familie konden gaan.
Ik ging ook wel eens lopen naar een tante in Krommenie, maar dat was een heel eind.
Toen ik 19 jaar was, kreeg ik een fiets. Daarvoor huurden we wel eens fietsen, maar daar was erg vaak wat mee aan de hand. Met een fiets konden we veel beter de omgeving verkennen. Ik mocht een keer samen met een nicht van dinsdag tot vrijdag naar een oom en tante in Velsen. Wat hebben we toen veel gezien.
Als er in de buurt kermis was, ging ik daar ook wel eens heen, te dansen, maar niet op de fiets, want we hadden toen nog geen lantaarns op de fiets.
Zo heb ik ook mijn man leren kennen. Toen ik zestien was, was er kermis op Spijkerboor. Daar heb ik voor het eerst met hem gedanst. Daarna zijn we nog wel een paar keer naar een kermis geweest. Ook een keer naar de Alkmaarse kermis. Ik was toen zeventien jaar en ik was nog nooit in Alkmaar geweest, hoewel het maar zestien kilometer van huis af was.
Mijn man was vijf jaar toen zijn vader overleed. Op zijn achtste overleed zijn moeder. Beide ouders zijn gestorven aan tbc. In de tachtiger en negentiger jaren was dat een epidemie. de mensen wisten zeker niet zo goed dat het besmettelijk was. Ze sliepen bij elkaar in de bedstee en ze aten uit dezelfde pan.
Er waren drie kinderen in het gezin, die bij verschillende familieleden zijn ondergebracht. Mijn man kwam bij zijn oom Maarten, die boer was en alleen een dochter had. Hij werd er opgevoed als een zoon. Zijn broer kwam bij een andere oom die al gauw gign stil leven. Hij is later timmerman geworden. Zijn zuster is opgevoed in Purmerend.
De oom Maarten bij wie mijn man werd thuisgehaald, woonde te Markenbinnen, net als de ouders van mijn man. In 1901 werd voor oom Maarten een nieuwe booerderij gezet, aan de Middelweg in de Starnmeer. Mijn man was toen ongeveer 15 jaar. oom Maarten en zijn vrouw waren al niet zo jong meer en wilden liever een kleinere boerderij. Mijn man had een goed tehuis en zijn oom had een goede hulp aan hem.
Oom Maarten en zijn vrouw zijn op de boerderij aan de middelweg blijven wonen tot wij trouwden, in 1911. Zij gingen toen naar een huisje in Spijkerboor en woonden vlakbij hun dochter, die daar getrouwd was met een boer.
20 april 1911 zijn we getrouwd. Op mijn 23e jaar was ik dus boerin. Op mijn 19e jaar was ik aangenomen als lidmaat van de kerk en daarvoor had ik een nieuwe, zwarte jurk gekregen. Die had ik ook aan toen ik trouwde, en een zwarte hoed erbij met een rode bloem erop.
Mijn bruidegom kwam me halen met de tilbury, die hij van buurman Schermerhorn had geleend. We gingen naar het gemeentehuis van Jisp. Na afloop gingen we weer naar het huis van mijn ouders, waar iedereen brood en een borreltje kreeg. De volgende dag gingen we naar de boerderij in de Starnmeer. We hadden alleen wat servies en wat spullen van oom Maarten die ze niet naar hun huisje wilden meenemen.
De boerderij was tamelijk nieuw, maar er waren toch maar twee kamers en we kookten in de stal. Er was wel een aanrecht achterin de stal. Dat was iets van toen nog lang niet iedereen had.
Na bijna een jaar werd Nel geboren en in april 1914 Maarten. Toen ik in verwachting was van Nel, bleef het werk gewoon doorgaan. Naar een dokter gaan voor controle was er niet bij. Ik wist van niets. Ik deed gewoon alles mee. We hadden geen personeel, dus ik moest helpen. In december zat ik op een morgen al vroeg te melken, want mijn man moest weg. De koe die ik molk, viel van de stalhout en ik viel zelf gedeeltelijk onder de koe. De volgende dag kreeg ik koorts, maar dat leek allemaal normaal. Ik ging niet naar de dokter.
Het ws nog een hele toer om een baker te krijgen. Ik geloof dat mijn moeder dat nog heeft gedaan. Een aantal dingen heb ik met mijn moeder in Purmerend gekocht. Van de buurvrouw kreeg ik allemaal babykleertjes, die ik nagemaakt heb. De wieg was een familiewieg die opnieuw bekleed moest worden, in Purmerend. Mijn man moest die op dinsdag ophalen. Toen hij thuis kwam moest hij meteen weer weg om de dokter te halen. Twee buurvrouwen, buurvrouw Jongens en buurvrouw Van de Berg, kwamen helpen. De baker kwam toen alles al gebeurd was.
Na de geboorte van Nel ben ik nog tien dagen in bed gebleven. Na veertien dagen ging de baker weg. Ik kon niet lopen van de pijn. De dokter kwam, maar er was niets aan te doen. Die pijn duurde nog een paar weken, maar je moest toch je werk doen. Gelukkig was er aan de dijk een gezin met meisjes. Het jongste meisje, van een jaar of dertien, heeft geholpen met afwassen en dergelijk dingen. Maar ja, er was zoveel te doen.
Nel was geen erg makkelijke baby. Ze groeide niet en huilde veel. En ik had erg zere tepels. Haar ontlasting zag zwart van het bloed dat ze meezoog. De dokter kwam niet meer. Twee weken na de bevalling ben je beter en dan komt hij niet meer. Ik ben al gauw gaan bijvoeden. Hoe dat moest, moest je ook zelf uitvinden. Met melk en maizena, dat was wel goed voor haar. Zo moest je maar doorsukkelen. Ook probeerden we een beetje van het middageten of een stukje brood fijn maken en dat proberen. Maar nooit optijd ontlasting. Dab had je zo een glycerinespuitje – ook weer een raad van de buren – en dat maar proberen.
Toen het wat mooier weer werd, hebben we een kinderwagen gekocht, in Purmerend. De goedkoopste die er was, natuurlijk. We waren een jaar getrouwd, dus we zaten nog niet zo dik in de centen. Nel in de kinderwagen buiten en toen kwam de ontlasing vanzelf.
Na Nel en Maarten kwam er in 1917 weer een jongetje. In 1918 heerste er Spaanse griep. Die was erg naar. Ik was weer in verwachting en werd ziek. Het jongetje ging een tijdje naar mijn moeder en ik naar het ziekenhuis. Nadat ik weer thuiskwam, kreeg iedereen de griep en het jongetje overleed aan kinkhoest.
In december werd een meisje geboren, maar dat is maar vier weken oud geworden. Het was een heel erge epidemie. Veel oudere mensen, van middelbare leeftijd, werden in een dag of wat ziek en gingen dood. En de dokters waren ook ziek, dus die konden niet komen.
In 1920 werd Kees geboren, in 1927 Piet en in 1929 Dirk.
Toen Dirk werd geboren, was Nel al van de huishoudschool af. In dei tijd vond ik dat ik toch meer had moeten weten over voeding en verzorging. er werd wel over vitamines en mineralen enzo geschreven, maar het meeste wat ik daarover las en hoorde betrof het vee. Daarom vond ik het zo fijn dat Nel naar de huishoudschool kon. Het was een vijfjarige cursus, met elk jaar minder schooldagen.
Na de huishoudschool volgde Nel een cursus handenarbeid. Daarna tekenen en fraaie handwerken. Ze kon daarna niet verder omdat ze geen mulo had gehad.
Maarten ging naar de lagere landbouwschool en in militaire dienst haalde hij zijn middenstandsdiploma, maar daar had hij niet zoveel aan. In 1962 heeft hij het diploma instructeur paardrijden gehaald.
In 1923 werd mijn man heel erg ziek. Ik moest toen veel helpen in de boerderij. De kinderen waren daarvoor nog te klein. We wisten niet welke ziekte hij had. Het leek eerst op een steenpuist, maar het werd steeds erger. Overal zweren in zijn hals en die liepen erg uit. De dokter wist er ook geen raad mee en op ’t laatst is hij naar het ziekenhuis gegaan. Daar maakten ze een snee in zijn rug en toen liep alles eruit en werd hij langzamerhand weer beter. Toen hij zo ziek was, kwam buurman Booy ’s winters helpen met uitmesten. Wat later kwam Andries, een jongen uit Zeeland. Maar hij kon de mestwagen niet op de mesthoop krijgen, zo weinig kracht had hij. We hadden elf koeien. Hij molk er vijf, ik zes. En wat naar de markt toe moest, bijvoorbeeld biggen, dat deed oom Klaas.
De boerderij had maar 9,5 hectare. Pas rond 1930 konden we meer land erbij huren. Wel huurden we daarvoor een weg, waar we tweemaal per jaar hooi van oogsten.
In augustus 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. Niet hier, maar het was wel vlakbij. Alles werd erg duur. Ook de melk, want er kon niets ingevoerd worden.
Het was een erg droge zomer, dus we moesten ook zuinig met water doen. Mijn man had maar een goed oog, hij was daarom afgekeurd voor militaire dienst en hoefde dus niet op te komen. Mijn twee broers wel, maar er was wel hulp te krijgen voor hun boerderij.
In 1916 brak de dijk van de Zuiderzee door, op verschillende plaatsen. Er was geen radio. Het duurde twee dagen voor we wisten wat er gebeurd was. Het water kwam tot Purmerend en Zaandam, maar gelukkig niet verder. Het was een angstige tijd, want als de kistdammen het niet hielden, kwam het water tot de Starnmeerdijk. Dat is gelukkig niet gebeurd.
1918 was een heel naar jaar. Alle levenmiddelen nog op de bon en toen kwam ook nog die nare griep. In november was de oorlog afgelopen en kon alles wat normaler worden. Eind 1918 kregen we electriciteit en er waren weer voldoende brandstoffen en levenmiddelen. Er was alleen nog geen stofzuiger of wasmachine.
In de twintiger jaren ging het allemaal wat beter en rustiger. De prijzen bleven tamelijk goed. De melk ging naar de kaasfabriek “De Ceres”, aan de middelweg. De avondmelk werd gekoeld en ’s morgens geroomd. We maakten er eens per week boter van. De karnemelk, waar we zelf ook van gebruikten, ging voor het grootste deel naar de varkens. De afgeroomde en verse morgenmelk moest ’s morgen voor 7 uur op de fabriek zijn. Eerst ging dat met de hondenkar, later, toen we meer melk leverden, met paard en wagen.
Het koelen van de avondmelk gebeurde met water, dat diep uit de grond kwam en altijd doorstroomde. Het bevroor nooit. Het boenen van emmers, vaten en koelers gebeurde ook met dat water. Leidingwater kregen we in 1929.
Omstreeks 1933 kregen we radio. Mijn broer Piet had als hobby radio maken. Hij kocht onderdelen in Amsterdam en zette alles in elkaar. Hij had zelf thuis geen electriciteit, maar met een batterij kon het ook. Voor zijn buren maakte hij ook radio en voor ons een zonder batterijen. Het voornaamste was nieuws, weerberichten en landbouwpraatjes. We lazen ook een krant, Die kregen we als de buren hem uit hadden. Verder lazen we ook veel bedrijfskrantjes, o.a. over paarden, varkens en schapen en ook een weekblad en een maandblad. Dat laatste heette “De Uitkijk”. Het bestaat al lang niet meer.
Voor vast personeel was de boerderij te klein. De eerste jaren hadden we twee keer een dienstmeisje, dat hielp melken. Toen Nel en Maarten van school kwamen, hielpen die al gauw.
Door de crisis, in de dertiger jaren, gingen de prijzen van alle producten omlaag. we hadden geen grote tuin, omdat we kippen en varkens hadden. Wel waren er wat vruchtbomen.
In de Zaanstreek was vrijwel geen werkeloosheid. De industrie langs de Zaan kon veel mensen gebruiken.
Toen Maarten in militaire dienst moest, kwam er maar een persoon op onze advertentie in “De Boerderij” af. Dat was Albert Hoorn uit Zuidwolde, in Drenthe. De dienst van Maarten duurde maar vijf maanden. Albert werd daarna knecht bij een buurman. Tijdens de crisis konden we ook af en toe land huren. In 1934 huurden we zes hectare van de overbuurman. Het aantal koeien werd uitgebreid tot ongeveer twintig. Jerre de Jong werd hier toen knecht voor twintig gulden per week. Hij bleef tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog.
In de hooitijd kwam altijd een man uit Drenthe of van de Veluwe helpen. Ze verdienden dan twintig gulden per week en de kost. De laatste man die hier zo is geweest, kwam uit Doornspijk. Hij had daar een kleine boerderij, die zijn vrouw waarnam in de tijd dat hij bij ons was.
In 1936 werd de cooperatieve kaasfabriek opgeheven. Die was in 1905 gesticht. Mijn man was tot 1936 secretaris-penningmeester. Hij zat alle avonden en zondagen te rekenen. Niet alleen de gewonen inkomsten en uitgaven, maar ook eenmaal per maand hoeveel de kaas had opgebracht en hoe de opbrengsten over de boeren verdeeld moest worden. Het waren oudere mensen die het hadden georganiseerd en die weinig verstand hadden van dat soort zaken. Ieder had een bepaald bedrag gestort, onafhankelijk van het feit of je een grote of een kleine boerderij had. Hoe het precies was gegaan weet ik niet; dat was voor mijn tijd. Wel weet ik dat later de opbrengst van de kaas werd verdeeld naar de hoeveelheid geleverde melk. Maar alle boeren moesten evenveel betalen voor het onderhoud van de fabriek en voor het personeel. Mijn man wilde dat veranderen, want dit was niet eerlijk ten opzichte van de kleine boeren. Buurman Schermerhorn zei toen: “Doe jij de penningen maar, dat kun jij beter”.
de fabriek hield op doordat de jonge boeren niet meer wilden. Je moest namelijk zelf de melk afromen, daar maakten we boter van. De jonge boeren vonden dat teveelw erk. Zij wilden dat de melk naar een fabriek ging waar de melkzoet werd gehouden. Dat kon bij “Neerlandia” in Stompetoren. Die maakte ook betere producten dan de kleine fabrieken. Mijn man kreeg het daarna gemakkelijker. We hoefden bovendien geen boter meer te maken. Dat had ik 25 jaar gedaan.
Toen in ons land de oorlog uitbrak, op 10 mei 1940, moest het vee worden geevacueerd. Zaterdag 11 mei brachten de mannen de koeien weg, omdat hier de inundatiesluis was opengezet. Het water in de sloten kwam steeds hoger. De varkens, schapen en kippen werden naar bij broer Piet gebracht aan de kanaaldijk. De koeien kwamen in wognum terecht. Het was daar slecht geregeld. De politie kwam erbij om de beesten over de landerijen te verdelen. Wij moesten zelf ook weg; het land en het erf kwamen onder water te staan en ook een deel van de boerderij. Ook wij gingen naar oom Piet aan de kanaaldijk. Het waren erg spannende dagen: Maarten en kees waren beide in dienst. Maarten aan de Grebbelinie en Kees in Den Haag. Gelukkig is het voor hen en voor ons goed afgelopen.
In 1941 werd een rundveefokvereniging opgericht, met de uitkeringen wegens de inindatieschade. Mijn man werd weer menningmeester, dus kwam het rekenwerk weer.
Na de oorlog zijn we twee keer een stuk land kwijt geraakt, doordat de pacht werd opgezegd. Eerst in 1947. Daarna in 1953. Toen konden we toevallig een stuk land kopen van 4 hectare.

Oom Klaas overleed in 1954. Zijn vrouw, tante Grietje, was enkele jaren eerder gestorven. Wij erfden de boerderij. we moesten 45% succesierechten betalen. Gellukig had oom Klaas de boerderij laag getaxeerd.
Direct na de oorlog kwam een jongen uit Amsterdam bij ons op de boerderij. Hij was dertien jaar denk ik. Hij is vier jaar bij ons gebleven. Nu werkt hij op de sportvelden in Amsterdam. De directeur van de landbouwschool wist direct een andere die op de boerderij wilde helpen. Dat was Frits Honing. Na hem kwam Jan de Jonge. Onze boerderij werd praktijkadres voor de lagere en middelbare landbouwschool en ook voor de volkshogeschool. de jongens die daarvan kwamen, hadden niet alleen kost en inwoning maar voor hen moest ik ook naaien en wassen. Er is een Deen geweest en een boer uit Israel die alleen belangstelling had voor muziek en politiek. Verder nog een Zwitser, een Fransman en een Engelsman. De taal leverde soms wel problemen, maar over het algemeen ging het wel.
in 1927 werd de vrouwenvereniging van de Hervormde Kerk in West-Graftdijk opgericht, met de naam “Steunt Elkander”. Mijn gezin liet nog niet toe dat ik daar lid van werd. Het zal ongeveer 1933 geweest zijn eer ik lid geworden ben. Het was een kleine vereniging, met tussen twaalf en achttien leden. Er werden kledingstukken genaaid en gebreid. Met kerstmis kregen gezinnen die dat nodig hadden, een pakje. Toen ik lid werd, was er eens per jaar bazar van alles wat er gemaakt was en bestond het kerstpakketje uit levensmiddelen.
Nadat ik een paar keer geweest was, werd ik al snel secretaresse en een paar jaar later voorzitster. Dat ben ik ruim dertig jaar geweest. Er moest altijd geopend worden met een stukje bijbel lezen en een gebed. Onder het handwerken werd uit een boek voorgelezen. Het was soms moeilijk een goed boek te vinden. Als het wat moeilijk was, vonden de dames het niet mooi. Het waren niet alleen leden van de kerk.
Ik deed alle inkopen, knipte en naaide met de machine schorten en pyama’s, slabbetjes en soms ook kinderjurkjes. De dames deden dan de rest. Sommige breiden liever.
De kerstpakketjes werden in de oorlog afgeschaft, doordat alles op de bon was. Na de oorlog waren er sociale voorzieningen, zodat sindsdien de opbrengst van de jaarlijkse bazar naar de kerkvoogdij ging.
Er was een tijd dat er niet veel gemaakt kleding te koop was. Moeders dien niet veel tijd hadden om te naaien en te breien, kochten bij ons. Maar ook dat is weer veranderd. Loten, reden en een rad van avontuur vormen nu de grootste bron van inkomsten op de bazar en dat doen de mensen graag.

In 1930 is de bond van boerinnen en andere Plattelandsvrouwen opgericht. Vier jaar later kwam ook hier een afdeling tot stand, met 34 leden. Dat aantal groeide tot dichtbij de 100, maar de 100 hebben we nooit gehaald.
We kwamen eens in de maand bij elkaar. Dan was er soms een boekbespreking. Dat deed de hoofdonderwijzer. Of er kwam iemand die over iets nieuws in de huishoudig vertelde. een kerstavond verzorgden we zelf en eens per jaar gingen we uit en bezochten dan een fabriek of iets anders, waar we werden voorgelicht over hetgeen er werd gemaakt of wat er te zien was.
Er werden ook cursussen gegeven, waarvan Huishoudelijke Voorlichting wel erg belangrijk was. Gelukkig zijn die cursussen er nu nog en zelfs behoorlijk uitgebreid.
In 1934 was ik secretaresse van de nieuwe afdeling hier geworden. Toen in 1935 een provinciale bond werd opgericht, werd ik daar secretaresse van, doordat ik enige binding had met iemand van het hoofdbestuur. Men mag niet langer dan zes jaar bestuurslid zijn in de bond, dus in 1941 trad ik af al sprovinciaal secretaresse. Ik wrd voorzitster van de afdeling. De bond kwam echter onder invloed van de bezetter en bijna alle leden bedankten. Dat betekende een boete van 100 gulden.
In 1945 werd ik weer voorzitster en bleef dat tot 1951. Na de oorlog werd de naam “Bond van Plattelandsvrouwen”, maar de leden komen niet meer alleen van het platteland. er zijn nu ook consulenten die lezingen en cusussen geven over boekhouding, belastingen, erfrecht, spreekvaardigheid enzovoorts.
In 1950 werd hier de Vereniging voor Gezinszorg opgericht. We begonnen met vier meisjes, die in een gezin kwamen helpen als de vrouw ziek was. Ik werd daar voorzitster van. Eerst werd de vrouw van de burgemeester van De Rijp benoemd, maar zij was bevreesd voor kritiek als niet snel genoeg hulp kon worden geboden. Het is wel gebeurd dat het een paar dagen duurde, voordat er hulp kwam en dat de man bij een bestuurslid kwam schelden. Ik woonde ver van de dorpen, dus hier kwam zo iemand niet.
De vrouw van de burgemeester te Grootschermer was leidster van de gezinsverzorgers. Zij deed haar werk goed. Het werd een uitgebreide vereniging. Grote plaatsen hadden zoiets al lang, ook hier in Noord-Holland. De plekken ver buiten die plaatsen vielen er echter buiten. Die werden in onze vereniging opgenomen. Bestuur en leidster deden alles vrijwillig. Nu is alles veranderd. Verschillende verenigingen zijn bij elkaar gevoegd en betaalde krachten regelen alles. Het geheel is nu onder toezicht van de regering en nu wordt het zo duur dat er bezuinigd moet worden.
Ik ben tot 1964 voorzitster gebleven. Toen vond ik dat ik te oud werd voor zulke dingen.

Starnmeer, maart 1978 N. Rol-Bus.

hooitrekkers, hooiponders, hooispitters