Het Starnmeerboek

Hieronder vind u het in 1993, door Cor Booy samengestelde Starnmeerboek, ter ere van het 350 jarig bestaan van de polder.
Bovendien kunt u in het uitschuifvenster het oorspronkelijke document bekijken.

Bekijk het originele Starnmeerboek
Bekijk het originele Starnmeerboek

Starnmeersliedje

Ons landje, dat zeggen zo velen,
Dat is maar zo klein en zo dras.
Maar dan wordt toch wel eens vergeten
Het Noordhollands vee en gewas.
Dit grasland en vee, onze glorie
Die Holland een naam geeft van stand!
Een deel daarvan is onze polder,
Ons kleine Starnmeersland.

Als ’s voorjaars de weiden gaan bloeien
En pronken met kleurige tooi –
Een fraai schilderij van de dijk af –
Ja, polder, wat ben je dan mooi!
Als ’s zomers de hooiwagens rijden
En ’t druk is aan iedere kant,
Dan ruik je het hooi en de bloemen
In ons kleine Starnmeersland.

De herfst komt met stormen en regen,
De rietpluimen gaan heen en weer.
en ’s winters als vriest gaan we zwieren
Op de sloten, de ringvaart het meer!
Als ’s avonds de koeien gevoerd zijn,
De haard in de kamer goed brandt,
Dan denken we stil, voor ons zelven:
’t Is goed in ons Starnmeersland.

Starnmeer, 1938 . G. Schermerhorn-Heida.

2

Vijftig jaren later

Met de jaartallen boven het wapen van de Starnmeer, hiernaast, is niets mis. 1943 is geen druk- of zetfout. Het maakt deel uit van de originele linoleumsnede, die Dirk Rol dat jaar maakte, toen Starnmeer en Kamerhop 300 jaar droog waren.
In dat jaar hoorde ik voor het eerst van het bestaan van een zekere Evert Besse, een oud- Starnmeerder, die plannen had voor een boeken een officiële herdenking van de droogmaking. Die zou, met een rede van de dijkgraaf, moeten plaats vinden in het raadhuis van De Rijp, omdat daar in 1643 de loting voor de verkaveling had plaats gevonden. Dat vonden wij maar niks: De Rijp lag aan de horizon en Spijkerboor mer het Heerenhuis was ònze hoofdstad! “Wij”, dat waren Piet Rol, (de broer van Dirk; nu emiritus-professor dr. Pieter Klaas Rol, in de Verenigde Staten). Wij hadden een heel ander feest in gedachten met koekhappen en zaklopen en zo, in Spijkerboor uiteraard. We vroegen de dijkgraaf, Klaas van der Meer, wat hij er van vond. Oók niks, want “het is zo’n benauwde tijd” vond hij, vanwege de oorlog. Maar we mochten, op voorwaarde dat het de polder niets zou kosten, toch de andere leden van het polderbestuur vragen wat zij vonden. Ze hadden geen echte bezwaren, mits het feest niet ten koste van de polderkas zou gaan, maar dat hadden we al meer gehoord. Heemraad Jacob Slooten meende bovendien: “Je kunt tegenwoordig zowat geen borreltje meer krijgen”.

In de zomervakantie (we gingen alledrie, Dirk, Piet en ik, in Alkmaar op school) begonnen we ons feestprogramma te bedenken en Dirk maakte zijn linoleumsnede. Dié en het geschrift van Evert Besse waren uiteindelijk de enige resultaten, want de geallieerden landden op Sicilië. De dijkgraaf vond dat toen de oorlog te dichtbij kwam en hij blies de feestkaars definitief uit.

Nu, 50 jaar later, lag er nog steeds de lino-snede van Dirk. En het geschift van Evert Besse. U vind ze in dit boek. Het werk van Besse heb ik iets anders geredigeerd, en verdeeld in hoofdstukken. Het resultaat van Besse’s speurwerk loopt tot en met pagina 63. Daarna volgen bijdragen van anderen en van mijzelf. Zonder die anderen tekort te willen doen, dank ik in het bijzonder Piet Jonges van de Oudheidkundige Commissie Jisp, voor zijn vele tips. En Dirk ter Beek uit De Rijp voor het beschikbaar stellen uit stukken van zijn familie-archief over de Ceres. Met respect noem ik wijlen Pieternel Rol, die mij toestemming gaf haar scriptie over het leven van haar grootmoeder Neeltje Rol-Bus voor dit boek te bewerken. Wijb Schermerhorn dank ik voor het beschikbaar stellen van vele foto’s.

Ik hoop dat ook U, lezer, er veel genoegen aan beleeft. Dat was mijn opzet, bij het redigeren samenstellen en drukken van “Het Starnmeerboek”.

De Rijp, juni 1993.   Cor Booy

3

… overgebleven van het Spykerboor…

… het enige dat in wijde omtrek opvalt…

4

De bedijking en haar problemen

Door Evert Besse Jz.

Wie van De Rijp zuidwaarts gaat en voor zijn wandeling de hoge Beemsterdijk kiest, ziet naar links uit over de strenge straklijnige Beemster, waarin de gezichtseinder wordt afgesloten door de beplante wegen en de boerderijen, die meestal geheel in het groen verscholen liggen. Naar rechts gaat de blik over het lege en wijde Schermereiland en het land daarachter, dat weer zijn grens heeft in de verre, blauwe duinen. Twee geheel verschillende werelden.
Na een half uur te hebben gewandeld, komt men aan een verbreding van de Beemsterringsloot. In werkelijkheid is het geen verbreding van de Beemsterringsloot, maar de oostelijke helft van wat eens geweest is het Spykerboor naar de Bamestra, later verwijd tot de Beemster.
In 1637 werd een plempdijk aangelegd door het Spykerboor, de tegenwoordige dijk van het Kamerhop, waardoor dit in tweeën gedeeld geraakte.

Heerenhuis

Men ziet dan op korte afstand voor zich een gebouw, dat van baksteen is opgetrokken en van wat weidser voorkomen dan de andere behuizingen. Het is het enige dat in wijdere omtrek opvalt. Inderdaad heeft het een bijzondere bestemming. Het is het Polderhuis of Heerenhuis van de Starnmeer, of juister, van het waterschap Starnmeer en Kamerhop.
Het is nu 350 jaar geleden dat het Starnmeer werd droog gemaakt. Aanleiding dus om bij deze gebeurtenis een ogenblik stil te staan.
Het Starnmeer was het kleinste van de drie meren, die het Schermereiland omsloten; het land met het verdwenen dorp Schermer erop, dat daardoor inderdaad het karakter van een eiland had.

Strategische betekenis

Zoals alle wateringen en plassen had ook dit meer een betekenis voor de visserij. Zo werd in 1543 gesproken van de paling, die uit het Starnmeer in het Langemeer kwam, naar de open sluis van Krommenie en daar gevangen werd. Maar het Starnmeer heeft ook nog andere diensten bewezen. Toen in de kortstondige harde winter van 1573 gevaar bestond dat de Spanjaarden over het ijs een inval zouden doen in het hart van Noord-Holland, werd door het gehele Noorderkwartier een bijt gehakt, die van de Vuyle Graft met een boog over het Starnmeer liep, naar het Spijkerboorsgat.
Bij open water kruisten enige galeien op het meer ter bescherming van het Schermereiland.

Schermerboezem

Het Starnmeer had ook grote betekenis als onderdeel van Schermerboezem. Een betekenis die nog groter werd, toen door het droogmaken van verschillende meren de boezem hoe langer hoe meer inkromp. Toen dan ook octrooi werd aangevraagd voor de droogmaking van het Starnmeer, kwam het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland daar ernstig tegenop. Hetgeen de plannen echter niet heeft kunnen tegenhouden.
Tenslotte beweest het Starnmeer nog belangrijke diensten ut een oogpunt van verkeer. Vooral Alkmaar was hierbij nauw betrokken, want de scheepvaart van Alkmaar naar Amsterdam, die zeer uitgebreid was, ging over het Starnmeer naar de Zaan en zo verder naar Amsterdam.

5

Op deze kaart van het Schermereiland is goed te zien hoe het Starnmeer en het Kamerhop één geheel waren. De bedijkers meenden de oever van het Schermereiland langs dit water zo te laten door er geen ringdijk aan te leggen en er ook geen ringsloot langs te graven. Dat zou aanmerkelijk schelen in de kosten van de inpoldering. Het Alkmaarse stadsbestuur dacht er anders over en… trok aan het langste eind.

6

Alkmaar zag daarom liever dat het meer voor het verkeer behouden bleef, dan dat men aangewezen zou raken op betrekkelijk smalle vaarten. Een ernstige tegenstelling van belangen, die niet minder ernstige wrijvingen deed ontstaan toen later de bedijking ter hand werd genomen.

Rijper onderneming

De droogmaking van het Starnmeer is een onderneming geweest van De Rijp, zoals die van de wormer er een was van Purmerend. De Rijp hoopte daardoor inkomsten te verkrijgen voor kerk en armen, Het dorp was in snelle opkomst. Daardoor heeft waarschijnlijk een zekere trots er ook toe bijgedragen dat het zich op dit gebied heeft begeven.
Het octrooi is op de 30e maart 1632 verleend. Daarvoor had de plaats nog een overeenkomst aangegaan met Alkmaar, met geen enkele werkzaamheid te beginnen zonder de toestemming van Alkmaar. Dat moest zich later natuurlijk wreken.
In het octrooi werd de verwachting uitgesproken dat de bedijking in vier jaar gereed zou zijn, zoals bij droogmakerijen min of meer de regel was geworden. Maar toen de eerste vier jaren waren voorbij gegaan, was nog hoegenaamd niets gedaan.
Wel had De Rijp aanstalten gemaakt, met bepaalde werkzaamheden te beginnen, maar Alkmaar gaf daartoe geen toestemming.
Het omgekeerde deed zich ook voor. Het was niet de bedoeling van de bedijkers, ook aan de noordkant een ringsloot te graven, waardoor het gehele werk aanzienlijk goedkoper zou zijn.
Toen kwam Alkmaar, bijgestaan door Purmerend, Edam en Monnickendam, in 1635 met de wens dat ook aan de noordzijde, terwille van de scheepvaart een ringsloot zou worden gegraven. De bedijkers verzetten zich met hand en tand daartegen.

Uitgeest in verzet

In 1636 werd de aanleg van de ringdijk en ringsloot langs de oostzijde ter hand genomen, waarvoor Leeghwater het bestek had gemaakt. Toen dat werk in het voorjaar van 1637 grotendeels gereed was, troffen de bedijkers de eerste voorbereidingen voor de aanleg van de ringvaart aan de westzijde. Dat stuitte echter op zodanig onverwachte tegenstand van Alkmaar, dat met de voorzetting van het werk stopzette. Daarbij kwam dat Leeghwater in die dagen een begroting opmaakte voor het gehele werk, die zeer ongunstig uitviel.
Het gevolg was dat een zodanige ontmoediging intrad, dat een ernstige crisis volgde. Het zag er naar uit dat de bedijking zou worden stopgezet. De Rijp trok zich terug. De belangrijkste ingelanden traden daarop naar voren. Dat waren Hoorn, Enkhuizen, Purmerend, Monnickendam en de jonge Reynier Pauw uit Amsterdam, die ook optrad namens zijn familie.

Nieuw college

Zij vormden in 1638 een nieuw college van Hoofdingelanden, dat het werk weer opvatte. De onderneming was geen Rijper aangelegenheid meer, maar een particuliere geworden. Het eerste wat de nieuwe bedijkers aan de orde stelden, was het graven van de ringvaart aan de westzijde.
Het zou echter spoedig blijken dat zij voor even grote moeilijkheden kwamen te staan als de vorige bedijkers. Ook zij waren gebonden aan het contract met Alkmaar.
In juni 1939 kwam Alkmaar plotseling met de ongehoorde eis dat de nieuwe ringvaart een breedte zou worden gegeven van 24 roeden, terwijl de bedijkers tot niet meer dan 16 roeden verplicht waren. (Er is hier zeer waarschijnlijk sprake van de Sijpdijkse of Hondsbosse roede. Deze was 3,36m. -CB.)

7

Deze kaart, gemaakt in 1658, geeft de situatie weer van 1643.
Graftdijk had toen – zoals de kaart terecht aangeeft – nog geen kerk. Die is in 1652 in gebruik genomen.
Eveneens blijkt duidelijk dat het Vinckhuizerhop aan de zuidzijde van een plempdijk is voorzien, zoals Alkmaar wenste. Ter plaatse is het Noordhollands kanaal ook nu nog breder, hoewel het Vinkhuizerhop ook is ingepolderd. Deze mini-polder bestaat tegenwoordig grotendeels uit camping “’t Rietbos” en de belendende sportvelden.

De buurschappen Laanhuizen bij het Kamerhop en de Barbers in de Oostwoude zijn geheel verdwenen. Ook de bebouwing van “Wouthuysen” in de Oostwoude is er niet meer. Mogelijk is de lokatie van de boerderij Rotteveel er een overblijfsel van.

8

Natuurlijk verzetten de bedijkers zich hiertegen met kracht. Een heel jaar ging verloren met de oplossing van het geschil. Die oplossing was ten slotte dat een vaart zou worden gegraven van 21,5 roeden. De vaart zou tegelijkertijd dienen als uitwatering voor de Schermeer, via Nauernasche vaart richting IJ, waarvoor de Schermeer fl.15.000 in de kosten zou bijdragen.

Leeghwater vertrokken

Het bestek van dit werk is van de 5e augustus 1640. Dit is echter niet meer het werk van Leeghwater geweest. Leeghwater, die een belangrijk aandeel heeft gehad in het werk voor de bedijking van de Starnmeer, heeft in deze tijd De Rijp verlaten en zich metterwoon te Amsterdam gevestigd.
Nu moest nog het vraagstuk van de ringsloot aan de noordzijde worden opgelost. Dat heeft ook weer eindeloze moeilijkheden veroorzaakt, maar ten slotte waren de bedijkers toch wel genoodzaakt aan de wens van Alkmaar te voldoen.

De duurste tegenvaller

Het gevolg is geweest dat eem ringsloot is ontworpen van het Spykerboor naar de Vuyle Graft, ten zuiden langs langs de Oosterbuurt. Hierdoor is het Kamerhop van het Starnmeer gescheiden.
Terwijl de bedijkers in 1641 bezig waren het werk af te maken, kwam Alkmaar het plotseling weer beletten.
De bedijkers meenden de ringdijk te kunnen maken door het noordelijk deel van het Vinckhuyzer Hop, zodat slechts een kort stuk plempdijk nodig was. Alkmaar kwam er tegenop dat op die wijze een extra bocht in de ringvaart zou ontstaan en verlangde een rechte vaart.
Dat betekende voor de bedijkers dat de plempdijk door het hop langer zou worden, waardoor de kosten weer zouden stijgen. De bestuurders van de droogmakerij waren wel genoodzaakt aan die wens te voldoen, zodat opnieuw een jaar verloren ging. De ring kon dus niet in 1641 worden gesloten. Dat is pas geschied op het einde van 1642.

Bijna burgeroorlog

Om de vaart over het meer zo lang mogelijk te kunnen volhouden werden tot het laatste ogenblik enkele openingen in de dijken gelaten. De bedijkers hebben de gaten eerder gedicht dan Alkmaar wenste. Zelfs hebben de burgemeesters van Alkmaar er ernstig over gedacht, deze weer open te maken onder bescherming van een gewapende macht. Er was met verloop van tijd onder de bedijkers een stemming van grote verbittering ontstaan en er was alle reden, te verwachten dat zij zich ertegen zouden verzetten dat de gaten opnieuw werden geopend.
Zo hadden zich op de dijken van het Starnmeer ten slotte nog bloedige tonelen kunnen afspelen. Daarop hebben de heren van Alkmaar het toch niet durven laten afkomen.

De molens draaien

Op 1 oktober 1642 begonnen vier molens het Starnmeer en één molen het Kamerhop droog te malen. Twee van die Starnmeermolens zijn vijzelmolens geweest. Een uitvinding uit die tijd, van Sijmen Hulsebos. Het is vrijwel zeker dat deze nieuwe vinding voor het eerst in de Starnmeerpolder is toegepast.

9

Het raadhuis van De Rijp

 Hier vergaderden de hoofdingelanden voordat de Starnmeer een eigen polderhuis had. Hier zou volgens de opvatting van Evert Besse de officiële herdenking in 1943 moeten hebben plaats gehad.

10

Het volgende jaar viel het meer langzamerhand droog en kon worden begonnen de nieuwe polder voor cultuur en bewoning gereed te maken. De 27e augustus 1643 vond de verkaveling plaats, in het raadhuis van De Rijp.
De leden van het Amsterdamse geslacht Pauw bezaten meer dan een kwart van de nieuwe polder, hetgeen er stellig toe heeft bijgedragen dat de bedijking uiteindelijk toch tot stand kon komen, want de onderneming is zeer duur geworden. De kosten hebben fl. 720 per morgen (ca. 0,8 ha) bedragen en in dat bedrag zijn niet àlle uitgaven verrekend.

Toch weer De Rijp

Dat de verkaveling plaats vond in het raadhuis van De Rijp, waar tevoren reeds zovele vergaderingen waren gehouden, vindt zijn verklaring daarin, dat De Rijp ook na 1637 nog in aanzienlijke mate bij de bedijking was betrokken. Geldelijk én doo rhet feit dat de dagelijkse bestuurders van Starnmeer en Kamerhop aanzienlijke burgers van De Rijp waren.
De eerste dijkgraafm die reeds in 1637 overleed, was heelmeester en lid van de vroedschap: Mr. Steven Bosch De tweede dijkgraaf, Frans Jacobsz., was zelfs schout van De Rijp.
Ook de heemraden behoorden tot de aanzienlijke ingezetenen.
Nu zou men verwachten dat, toen na de verkaveling de polder verder gereed werd gemaakt om zijn bewoners te ontvangen en een praktiserend polderbestuur zijn werkzaamheden kon beginnen, een van de eerste zorgen zou zijn geweest: het bouwen van een polderhuis. Dat lijkt niet zo te zijn geweest.

Het bleef in De Rijp

De 15e december 1643 werd vergaderd, maar in De Rijp. Elk jaar werd daar vergaderd, zoals de kavelconditiën voorschreven.
Artikel 23 luidde: “Is oock goet gevonden ende geaccordeert, dat jaarlijckx op den eersten Dingsdagh in April op ’t Raethuys in De Rijp de reeckeningh van de gemene Dyckagie sal worden gedaen, ten overstaen van Hooft ende gemene Ingelanden die daer gelieven tegenwoordigh te zijn. Bij naerder Resolutie van de Heeren Hooft-Ingelanden, is nu vastgestelt om te houden alle jare op den eersten Dingsdagh voor den 25 April”.
Van 1644 tot 1651 zijn deze rekeningsdagen regelmatig gehouden zonder dat vermeld is, waar het geschiedde. Dat was ook feitelijk overbodig. Indien het er niet bij vermeld werd, zijn de vergaderingen natuurlijk in De Rijp gehouden.

Naar het Heerenhuis

Totdat onverwachts in 1652 de mededeling volgt – er stat verkeerdelijk 1651 – dat de 22e april van dat jaar werd vergaderd “In ’t Heerenhuys van de Starnmeer”. In 1652 was er dus een Heerenhuis, d.w.z. een Polderhuis. Het is echter niet zo dat de vergaderingen nu voortaan regelmatig daarin werden gehouden. Zo werd de 22e april 1653 “de gewoonlijke rekendag” weer in De Rijp gehouden. Maar de 20e april 1654 volgde de gewoonlijke rekendag weer in de Starnmeer, hetgeen natuurlijk zegen wil: in het Heerenhuis van de Starnmeer. (Op die datum was De Rijp inmiddels getroffen door de ramzalige brand, die het dorp voor 60% had verwoest. Hoewel het raadhuis was gespaard gebleven, zal de gelegenheid voor een “gastmaal” wellicht hebben ontbroken – CB)
Dan volgt een reeks van jaren, waarin de vergaderingen weer in De Rijp plaats hadden, want dat is natuurlijk het geval wanneer het niet nadrukkelijk anders werd vermeld.

11

De pont van Spijkerboor is bijna een mensenleven lang de “pont van Jan Hop” geweest. Hier vol met “fabriekers” uit De Rijp en Graft, onderweg van hun werk in de Zaanstreek naar huis. De jongen met witte kiel op de voorgrond is Gerbrand Hop, de katere musicus. Op de achtergrond de oude brug 26 over de oostelijke ringvaart van de Starnmeer.

Freek Hoek in zijn veerschuit

 

Zodra de Starnmeer bewoners kreeg, zijn er overzetveren ingesteld, naar Oost-Knollendam, Oost-Graftdijk en West-Graftdijk. Dit laatste dorp had in 1892 zelfs twee voetveren. Het ene “bemand” door de weduwe Kool-Besse, het andere door Jan Altman. In Oost-Graftdijk was Coenraad de Haan toen de veerman.

  

Moeder Guurtje: vroege dienst

De laatste overzetters van Oost-Graftdijk waren Freek Hoek en zijn vrouw Guurtje Molenkamp. Zij hadden de taken zo verdeeld dat moeder Guurtje de “ochtenddienst” deed en vader Frederik de late dienst “tot Kwakkel was overgezet”. Dan was het bedtijd.

12

Het vergaderen in het Heerenhuis van de Starnmeer was dus betrekkelijk zeldzaam en dat in De Rijp bleef de regel.
Het laatste zal gebeurd zijn, in de eerste plaats omdat het nu eenmaal voorschrift was. in de tweede plaats omdat de reisgelegenheid in die dagen moeilijk was en de hoofdingelanden uit Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen alleen in De Rijp een behoorlijk onderdak vonden. Welke bijzondere redenen er zijn geweest, een enkele maal de vergadering in het polderhuis wan de Starnmeer te houden, blijkt uit de bescheiden niet.
Of het Heerenhuis, dat er dus in 1652 was, in 1651 of daarvoor is gebouwd, is niet met zekerheid te zeggen. In de resolutiën van hoofdingelanden is daaromtrent niets te vinden, noch is een bestek van het gebouw aanwezig. De aangewezen plaats voor het Heerenhuis was Spykerboor, ook al in verband met het verkeer.

Wegen en veren

De Starnmeer heeft, wanneer met het zuidelijk aanhangsel “de oude Saen” of “Butteroort” buiten beschouwing laat, de vorm van een vierhoek die door de Middelweg in tweeën wordt gedeeld. Het verkeer moest een uitweg hebben in de richting van Alkmaar en Purmerend, als de twee belangrijkste marktsteden in de omgeving. Daarvan was Purmerend het gemakkelijkst te bereiken.
Voor het verkeer naar Alkmaar werd van de Middelweg af noordwaarts een zijweg ontworpen, in de richting van het dorp Graftdijk. Alkmaar had hierin, ingevolge de met de bedijkers gesloten overeenkomst, mede te beslissen. De weg kreeg de naam Graftdijkerweg.
Voor het verkeer naar Purmerend werd de oostelijke ringdijk gebruikt, van de Middelweg af tot het tegenwoordige Spijkerboor.
De 5e april 1644 werd besloten, voor de overtocht aan het eind van de Graftdijkerweg en te Spijkerboor een schouw in te leggen en een veerhuis te bouwen.
Aan het eind van de Graftdijkerweg werd men dan overgezet naar de dijk van het Schermereiland, die dan verder werd gevolgd tot even benoorden Graftdijk, waar een brug het Schermeiland verbond met de Schermer.

Het veerhuis

Uit een klacht van latere tijd, over de oprit, valt af te leiden dat het schouw van Spijkerboor mensen en voertuigen overzette naar de Beemsterdijk, hetgeen bij stormachtig weer niet zonder gevaar was. Op deze wijze gingen de boeren uit de Starnmeer met hun kaas en boter naar de markt in Purmerend.
Intussen is het mogelijk dat Veerhuis en Heerenhuis één zijn geweest, zoals ook tegenwoordig het geval is. In dat geval zou dus het polderhuis reeds in 1644 zijn gebouwd.
Het tegenwoordige Heerenhuis is niet meer het oorspronkelijke. In 1787 is namelijk besloten een nieuw te bouwen op de fundamenten van het oude, waaruit de gevolgtrekking te maken valt dat het oorspronkelijke polderhuis van dezelfde afmetingen geweest moet zijn als het huidige. Misschien was het oude bouwvallig geworden, hoewel het nog niet zo lang had gestaan. Uit de documenten blijkt dit echter niet.
Blijkens een bestek van 1789 werd het nieuwe polderhuis ook wel “het jagthuis” of “rechthuis” genoemd.

Het heil van de Starnmeer

Het tegenwoordige Heerenhuis is een eenvoudig gebouw, van één verdieping, met de voorzijde naar de Beemster gekeerd.

13

14

Op de kaart hierboven, gemaakt in 1680, staan de eerste behuizingen aangegeven. Daarbij valt het op dat an de noordzijde van de Middelweg nog helemaal geen bebouwing staat. wellicht is dat te verklaren uit het feit dat de kavels, weliswaar doorsneden door de twee tochtsloten, toch een geheel vormden van de dijk tot de Middelweg. Langs de dijk stonden toen de boerderijen waar ze bij hoorden.
Uit de kaart valt ook goed af te lezen hoe de westelijke ringvaart “deur de Wouden” het Markerveld  van de polder het Woud heeft gescheiden, en de Wouder polder in een Westwouder en Oostwouder polder heeft verdeeld.
Het stukje weg door de Oostwoude, in het verlengde van de Middelweg bestond nog niet. Dat werd in de eerste helft van deze eeuw nog “De Nieuwe Weg” genoemd. Anno 1680 was er een voetpad van “De Barbers” naar “Wouthuyse”. Dat pad, enigszins anders van traject, was er nog toen omstreeks 1850 de eerste stafkaart voor militaire doeleinden werd getekend.


In de gevel tussen twee vensters is een hardstenen plaat aangebracht, die het wapen van de Starnmeer bevat, omgeven door een festoen en een opschrift, ter herinnering aan de stichting en de stichters van het gebouw, in 1787. Het luidt:

Simon Appel              Dijkgraaf
Willem Bek – Claas Glazekas
Heemraden
Jan Heynes penningmeester

’t Heyl van de Starnmeer
is de steun van mijn Bestaan
Dat ’t Haar Bestuurders
en Bewoners Wel mag gaan
Moet elk Weldenkend Mensch
Als een goed Christen wenschen
Gods Hand Bescherm dit Huys
en Haav en Vee en Menschen
J. Heynes
De eerste steen geleyt door
Ad. Bloem

Het polderwapen

Het wapen van de Starnmeer vertoont in een cartouche twee sterns boven een golvend watervlak en een zespuntige ster in het bovenvlak. De “zesster” werd beschouwd als een onheil afwerend symbool; een geluksster. De cartouche is bekroond met een derde stern.
Dit wapen laat zich makkelijk verklaren. In de Starnmeer bevond zich aan de oostzijde een langgerekt eiland. Dat is natuurlijk een uitgezochte broedplaats voor vogels geweest, waaronder de sterns waarschijnlijk het veelvuldigst voorkwamen.
Er is geen enkele aanwijzing voor het ontstaan van dit wapen, noch omtrent de tijd waarin het ontstond. Het vertoont zich het eerst op de kaart van de Starnmeer van Nicolaas Stierp.
Men meende dat die was getekend in 1643, maar in werkelijkheid is die vervaardigd in 1658. Toen voerde de jonge polder dus al het wapen.

15

De vissers van Laen- en Barndehuysen en de droogmaking

De stad Alkmaar en het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen zijn niet de enige tegenstrevers geweest, die de bedijkers van de Starnmeer op hun weg ontmoetten. Een kleine belangengroep, de vissers van Laan- en Barndehuizen, hebben zich eveneens verweerd. Namelijk tegen de hinder die hun visserij zou ondervinden als de bedijkers, ingevolge de eis van Alkmaar, een dijk van de Oosterbuurt naar het Spijkerboor zouden aanleggen.
Deze dijk zou hen beroven van hun uitweg naar de dijk rondom het Schermereiland. Ook een plaats waar ze hun schuiten konden afmeren was niet voorzien in het bedijkingsplan.
Op 8 augustus 1642 bepaalde Thomas van Egmond van de Nyenburg, als lid van de Gecommiteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier, dat de bedijkers een haventje voor de vissers moesten uitsparen. Dit haventje moest komen te liggen in het verlengde van de Corpersloot, die achter Laan- en Barndehuysen liep. Van het haventje uit konden de vissers dan tevens de dijk bereiken die langs de Starnmeerder ringvaart zou lopen.
Dat deden de bedijkers, maar ze verzuimden een dam in de Corpersloot weg te halen, die voordien als onderdeel van de dijk om het Schermeiland, het water van de Starnmeer buiten had gehouden.
De vissers dienden daarom in juni 1645 – de polder was al verkaveld en in gebruik genomen intussen – opnieuw een rekest in, waarin ze zich beriepen op de regeling van 1642. Zij namen daarbij Thomas van Egmond in de arm, die hun rekest onderschreef en er een kaartje bij voegde van de ontstane situatie.
Daarop zien we al “nieuwe uitleg” de dijk die volgens de eis van Alkmaar was aangelegd, met een dam (a) door de Corpersloot naar de dijk om het Kamerhop. De dam (b) in de oude dijk had men verzuimd weg te halen. Op 21 juni 1645 bepaalden de Gecommiteerde Raden dat dit alsnog diende te gebeuren. Van de mogelijkheid daartegen op 28 juni bezwaar te maken hebben de bestuurders van de Starnmeer en die van het Schermereiland geen gebruik gemaakt.


Bron: Diederik Aten “De vissers van Laen- en Barndehuysen en de droogmaking van de Starnmeer”, een Nieuwe Chronyke 1992 pag 70-78.

16

De eerste ingelanden

Toen het er in 1637 naar uitzag dat het met de Rijper plannen voor de droogmaking van Starnmeer en Kamerhop mis zou gaan, was het vooral de jonkheer Reinier Pauw te Amterdam, die er voor heeft gezorgd dat het reeds begonnen werk aan de droogmaking werd voortgezet. In de loop van het volgende jaar legden de Rijper initiatiefnemers het hoofd in de schoot, nadat Mr. Steven Bosch was overleden.
Er werd een nieuw bestuurscollege gevormd en er werd bij de Staten van Holland en West-Friesland een nieuw octrooi aangevraagd, wat op 15 april 1639 werd verleend.
Belangrijker was echter dat Reinier Pauw en nog een aantal leden van dit Amsterdamse regentengeslacht financieel deelnamen in de droogmaking en die daardoor zeker stelden.

De Amsterdammers

Rienier Pauw schreef zelf in voor 60 morgen en was daarmee de grootste deelhebber aan de onderneming. Zijn schoonmoeder Adriana Cole was goed voor 40 morgen. Reinier’s vader, de raadpensionaris Adriaan Pauw, lid van de Hoge Raad, schreef in voor 20 morgen. Willem van Ruytenburgh, de bekende luitenant op Rembrand’s “Nachtwacht” en zwager van Reinier Pauw, nam deel met 20 morgen, evenals nog een zwager, de “groot koopman” Johan Geelen. Nog drie Amsterdamse deelnemers waren majoor Dirck Hasselaar (40 morgen), Willem Six (40 morgen) en Adriaan Six (10 morgen).
Geen van deze Amsterdamse grondeigenaren heeft zijn bezit ooit zelf in gebruik genomen. Geleidelijk aaan hebben zji hun Starnmeers bezit van de hand gedaan.

Toch nog Rijpers

Daarnaast is de kostbaarheid van de droogmaking er oorzaak van geweest dat sommige deelnemers in de onderneming naderhand bij herhaling hebben getracht zich aan hun betalingsverplichtingen te onttrekken. Dat verklaart wellicht mede waardoor de Amsterdamse deelneming niet tot blijvende bemoeienis heeft geleid, ofschoon genoemde Amsterdamse regenten gezamenlijk een kwart van de kersverse polder bezaten ten tijde van de verkaveling in 1643.
Daarentegen waren er ook toen nog ingezetenen van De Rijp, die financieel belang in de droogmaking hadden en eigendomsrechten konden doen gelden. ook de steden Purmerend, Enkhuizen en Hoorn hadden land in de nieuwe polder, maar ook zij hebben zich er van lieverlee uit teruggetrokken. Alleen De Rijp en in bescheidener mate Graft behielden hun betrokkenheid bij Starnmeer en Kamerhop.

De eerste transporten

Min of meer gelijktijdig met het verdwijnen van de betrokkenheid der stedelijke regenten ontstond het zelfgebruik van het land door nieuwe eigenaren. Merkwaardig is in dit verband dat het land van jhr. Reinier Pauw tot de vroegst verkochte “Amsterdamse” bezittingen behoorde. De jonkheer overleed in 1652. De voogden van zijn beide minderjarige dochters verkochten zijn 60 morgen in 1661. De kavels 17 en 18 met behuizing op 17 kwamen in het bezit van iemand uit de Beemster en wisselden nadien nog vele malen van eigenaar.
De kavels 21 en 22, met behuizing op 22, werden eigendom van een zekere Pieter Willemsz van der Hoeck, “huisman in de Starnmeer”. Dat betekent ongetwijfeld dat deze Van der Hoeck van Pachter eigenaar werd.

 

17

Boerderij Ariën Kos
Kavel 17
1643 – jhr. Reynier Pauw
1661 – Lambert Sijmensz, Beemster
1711 – Pieter Auwelsz. Prins
1766 – erven Prins
1816 – Jan Prins
1825 – Jacob en Eefje Wagemaker
1857 – Lijsbeth Schaap
1863 – Peter Schouten
1878 – Pieter Kalverboer
1904 – Willem Struving
1918 – Jacob Groot Pz.
Willem Kos
Ariën Kos
Boerderij Simon Buis
kavel 21 en 22
1643 – jhr Reynier Pauw
1661 – Pieter Willemsz van der Hoeck
1699 – Floris Pietersz Bobeldijk
1758 – Simon Willemsz Pater
1768 – Jacob Henneman
1774 – Claas Glazekas in De Rijp
1819 –  Klaas de Wit uit De Rijp
1862 – Hendrik Schoehuijs
1916 – Willem Schoehuijs
Hendrik Schoehuijs
1945 – Simon Buis sr.
Simon Buis jr.
Boerderij Volkert Willig
kavels 1 en 2
1643 – Stad Enkhuizen
1804 – in openbare verkoping gekocht door Klaas Bos in de Starnmeer, fl. 4860,-.
1808 – Frederik de Goede in de Schermer
1820 – Maarten Prins
1831 – Aafje Smit  (wed. M. Prins)
1880 – Dirk de Vries (geh. m. Eytje Prins)
1914 – Volkert Otjes
Simon Willig (geh. m. Anna Otjes)
Volkert Willig

18 

Hij verwierf ook kavel 48 uit het voormalige bezit van Reinier Pauw.
Kavel 47, eveneens van Pauw, kwam in bezit van Willem Cornelis Beck, waagmeester en vroedschap van De Rijp.
Overigens was het Starnmeerse land van jhr. Pauw niet het eerste bezit in de polder dat in niet-Amsterdamse handen overging. Die eer viel te beurt aan kavel 7, welke bij de kavel-loting was toegewezen aan Adriaan Six. Toen hij enkele jaren nadien was overleden, en zijn zoon Jan Six geen prijs stelde op het bezit ervan, werd de kavel verkocht aan Auwel Pietersz., schepene en vroedschap van De Rijp.

 

De verkaveling

Het is stellig interessant eens na te gaan wie de eerste eigenaren waren van het land in Starnmeer en Kamerhop en wie de opvolgers werden. We doen dit aan de hand van de kavelnummers op de kaart die de cartograaf en landmeter Nicolaas Stierp in 1658 maakte.
Opgemerkt dient nog dat men beoogde , bij het verkavelen de gronden toe te delen in kavels van 10 morgen oppervlakte en de grond in Kamerhop in kavels van 1 morgen. De Kamerhopkavels dienden als “toegift”: bij elke 10 morgen land in de Starnmeer 1 morgen in het Kamerhop. Dat lukte echter niet steeds. Ook werd rekening gehouden met de uiteenlopende gebruikswaarde van de kavelsm waarvoor een taxatie werd verricht door neutrale taxateurs. Op grond van de taxaties moest bij de toewijzing voor goede kavels worden toebetaald. Viel iemand een minder goede tot slechte kavel toe, dan kreeg hij een daarbij passend geoordeelde uitbetaling.

 

De loting

De loting werd verricht door de dijkgraaf. Dat was anno 1643 Frans Jacobsz, de toenmalige schout van De Rijp.
De kavel 1 en 2, 33 en een halve morgen van kavel 12 in Kamerhop vielen toe aan de stad Enkhuizen. Het stadsbestuur heeft dat bezit pas in 1804 verkocht. Daardoor is enkhuizen het langst van de Noordhollandse steden bij de Starnmeer en het bestuur ervan betrokken geweest. Nieuwe eigenaar van kavels 1 en 2, met de woning op 2, werd Klaas Bos, voor de prijs van fl. 4860,-. Dat was fl. 230,- per morgen, want de werkelijke grootte was 21 morgen 269 roe.
Nummer 33 werd gekocht door Lourens Veer voor fl. 2280,-. Hij was schout, notaris en secretaris van Akersloot en werd in 1806 tevens secretaris van Starnmeer en Kamerhop.
De beweegredenen van Enkhuizen tot verkoop van het land in de Starnmeer was een uitvloeisel van de Bataafsse revolutie. Bij het uitroepen van de Bataafse republiek, in 1795, werden de belangen van het waterschap in handen gelegd van de ingelanden, met terzijdestelling van het college van hoofdingelanden.
Enkhuizen had altijd een zetel in dat college gehad en aldus invloed op het bestuur. Toen dat in 1795 niet meer het geval was, achtte Enkhuizen de tijd gekomen zich van zijn Starnmeers bezit te ontdoen.
Overigens heeft Klaas Bos zijn aankoop, de kavels 1 en 2, al in 1808 weer verkocht, voor fl. 4275,- , dus met fl. 600,- verlies. De kopers verkochten ze nog dezelfde dag voor fl,- 5000. Het land was dus blijkbaar speculatie-object geworden.
De kavel 3 en 4 en een halve morgen van kavel 2 in Kamerhop werden geloot door de kerk van De Rijp. Deze kerkegronden werden op last van de hoofdingelanden in 1650 verkocht door dijkgraaf en heemraden.
 

 

19

Boerderij Gerard Jongens
kavel 7 en 8
1643 – Willem Six kavel 7
Frederick de Beuckere 8
1648 – Auwel Pietersz Prins 7
1667 – Jocob Toornburg 8
1731 – Huybert Dircksz 7
Catharina Knedeburg 8
1755 – Cornelis Jocobsz Breet
1758 – Claas Velserboer
1776 – Cornelis en Dirk Graftdijk
1806 – Aris Graftdijk en comp.
1812 – Aris Graftdijk
1821 – Klaas Graftdijk
1835 – Dirk Graftdijk
1887 – Jacob Pietersz Groot
1900 – Grietje Slooten
1918 – Pieter Groot Jz
Gerard Jongens
Cornelis Pieter Jongens
Gerard Jongens

Boerderij “Kikkerstein” (oorspronkelijk “Kikkerstein en Eksterlust”) is een mooi voorbeeld van een gerekte stolp met koehuisstaart.

“In ’t Zontje”
Boerderij C. Jongejans
Kavel 3 en 4
1643 – Kerk van De Rijp
1650 – Pieter Jbz. Bouter
1680 – Seger Eenhoorn
1737 – Claas Velserboer
1760 – Jan Jansz Bakker
1806 – Klaas Musch
1810 – Jacob Simonsz Admiraal
1817 – Aart Wortel
1830 – Arend Groen
1845 – Dirk Groen
1860 – Dieuwertje Groen
Willem en Johan Roskam
Simon Kat
Cornelis Jongejans
Boerderij Van Hemert
kavel 9 en 10
1643 – Reynier Pauw, raadsheer in de hoge raad
1680 – Jan Willemsz Haringkoper
1710 – Willen Netkoper te Oost-Graftdijk
1740 – weduwe Netkoper
1750 – Pieter Jacobsz Kuyper
1756 – Pieter Jantjes en Simon Beets, De Rijp
1756 – Cornelis Breet
1799 – Pieter Jacobz de Goede
1830 – Reyer de Goede
1887 – Cornelis Kwadijk
1932 – Dirk Beets Gz.
Cornelis Beets
Klaas Beets
Brinkman / van Hemert

20

De kerk kon namelijk niet aan haar verplichtingen voldoen. Nieuwe eigenaar, mede van de woning op 3, werd Pieter Jacobz Bouter, koopman in De Rijp. Hij was een der geldschieters van de bedijkers.
Na zijn overlijden verkochten de voogden van zijn kinderen nr. 3 en nog een andere kavel aan een andere Rijper voor fl. 285,- per morgen. Nr. 4 werd in 1650 verkocht aan Pieter Pauwelsz, een vroedschap in De Rijp. Het bleef tot 1737 in zijn familie.

Pachter wordt eigenaar

De kavels 5 en 6 en de nummers 59 en 60 benevens nr. 13 in ’t Kamerhop vielen toe aan majoor Dirck Hasselaar te Amsterdam. Deze zijn het langst in Amsterdamse handen gebleven. Weliswaar stierf Hasselaar reeds in 1645, maar het land bleef in de familie tot de nummers 5 en 6 in 1761 werden verkocht aan de pachter Barend Gerritz Bouwer, voor fl. 2400,-. Deze moest een lening sluiten om de kooppenningen te kunnen voldoen. Hij nam daarom fl. 2500,- op tegen 4% bij Cornelis Haring te West-Graftdijk met het land als onderpand. Opmerkelijk is dat de lening hoger is dan de koopprijs; een teken dat het met de waarde van het land beter begon te gaan in het economisch verkeer.
De nummers 59 en 60 waren in de familie Hasselaar al eerder losgekoppeld van de nrs. 5 en 6. In 1722 verkochten de erfgenamen, kinderen van zekere Jacob Hop en Isabella Hooft te Amsterdam, 59 en 60 aan twee ingezetenen van De Rijp.

Einde bezit Pauw

De kavel 7 en 8 werden toebedeeld aan Adriaen Six en Frederick de Beukere, evenals voor elk 1 morgen van nummer 7 in het Kamerhop. Adriaen Six overleed al spoedig, zoals reeds opgemerkt, waardoor kavel 7 in handen kwam van Auwel Pietersz in De Rijp.
De erfgenamen van Frederick de Beukere verkochten zijn kavel 8 in 1667 aan een koopman, eveneens uit De Rijp, voor fl. 555,- per morgen. In de 18e eeuw kwam het in handen van een zelfgebruiker.
De nummers 9 en 10 werden toegewezen aan mr. Reinier Pauw, de raadsheer in de Hoge Raad van Holland en oom van jhr. Rienier Pauw. Hij kreeg ook 2 morgen van kavel 1 in het Kamerhop. Hij verkocht het na 30 jaar, in 1684, tesamen met het “speelhuis” op nr. 9, aan een koopman te Oost-Graftdijk. Met deze verkoop eindigde de eigendom van bezittingenvan de familie Pauw in de Starnmeer.

Aan de armen

Door de vererving zijn beide percelen in de familei van de nieuwe eigenaar gebleven. In de eerste helft van de 18e eeuw waren ze eigendom van Willen Netkoper van Oost-Graftdijk, die hoofdingeland was van de Starnmeer, van 1732 tot hij in 1743 overleed. Zijn vrouw erfde het land. Echter, in het testament was bepaald dat indien zij zou overlijden of hertrouwen, het land zou toevallen aan de doopsgezinde armen van Oost-Graftdijk. De weduwe hertrouwde inderdaad en wel met Pieter Jacobz Kuyper, koopman te Koog aan de Zaan. Het land in de Starnmeer viel dus toe aan de doopsgezinde armen van Oosterbuurt, maar de diakenen van de doopsgezinde gemeente verkochten het nog hetzelfde jaar aan Pieter Jacobz Kuyper, voor fl. 3500,-.

 

 

21

 

Boerderij Buis
“De Handslag”
Kavel 11
1643 – Purmerend
1661 – Pieter Jacobz Beets in De Rijp (3 morgen)
1798 – Pieter de Goede
1830 – Reyer de Goede
1881 – Dirk Graftdijk
1887 – Jan Pietersz Groot
1900 Grietje Slooten
Sijbrand Booy
1928 – Cornelis Booy
1981 – Ed Buis
1982 – Ook zuidelijk deel kavel 10.
De boerderij is als “lang huis” gebouwd in 1928 door Arie Groot, timmerman-aannemer in de Woude. Het was de eerste boerderij in de Starnmeer met Zuidhollandse stal.

Het land achter de boerderij heette voorheen “het Reyerstukje” naar de eigenaar Reyer de Goede.

Boerderij Caton
“Starnhoeve”
Kavel 11 n. deel
1643 – Stad Purmerend
1798 – Pieter de Goede
1830 – Aris van Eyken
1881 – Doopsgezinde gemeente De Rijp
Jan Hoek
Arie Hoek
Abram Caton
1979 – Anton Caton
Boerderij Reyne
Kavel 41
1643 – Frans Jacobsz in De Rijp (dijkgraaf)
1652 – Bruyn Vechtersz Opdam
1684 – Cornelis Wz. Bek
tot 1800 familie Bek
1806 – Maarten Oly
1810 – Pieter Kalverboer
1860 – Grietje Bus (wed. Kalverboer)
1860 – Evert Besse
Jan Besse
Evert Jansz. Besse
1907 – Pieter Reyne
Klaas Reyne
Pieter Reyne

Nieuwbouw 1949 – Ontwerp architect Koning te Purmerend.

22

 Aan de pachter

Diens dochter, Grietje Pieters Kuyper, verkocht het in 1756 aan Pieter Jantjes, schepene en vroedschap in De Rijp en Simon Beets, eveneens in De Rijp, voor fl. 2350,-. Dat betekende in vrij korte tijd een verlies van ruim fl. 1000,-.
De heren Jantjes en Beets verkochten hun bezit aan de pachter, Cornelis Breet, twee jaar later, met fl. 1312,- winst, voor fl. 3662,-. Grietje had haar erfdeel blijkbaar te snel verkocht, mogelijk beangst door :het spook van de veepest”.

Pieter Jocobsz de Goede

De percelen 11 en 12 werden voorwerp van speculatie en gingen herhaaldelijk over in andere handen, totdat kavel 11 in 1799 eigendom werd van Pieter Jacobsz de Goede. Deze bleek toen ook eigenaar-gebruiker te zijn van 9 en 10, die hij door vererving had verkregen.
Deze de Goede was een telg van een der toonaangevende geslachten van eigenaren-zelfgebruikers van Starnmeers land.

Onwillige Sara

De kavel 13 en 14 benevens 2 morgen van nr. 4 inn Kamerhop werden toegekend aan Sara Turquette, Vrouwe van Mallepart te Utrecht. Dat was een eigenaardig geval. De oorspronkelijke deelnemer in de bedijking was Laurens van Teylingen. Diens weduwe verklaarde in 1638 dat de hem toete loten 20 morgen op naam van SAra Turquette moesten worden gesteld. De bedijkers aanvaardden die verklaring. Maar vrouwe Sara leek er zelf niet veel voor te voelen.. Deelneming in een droogmakerij had zo haar consequenties. Zoals het betalen van de hoofdelijke omslag. Daar deed de Vrouwe van Mallepart niet aan mee. Haar naam komt herhaaldelijk voor als eerste als er sprake is van het dijkrecht. Blijkbaar heeft ze uiteindelijk wel aan haar verplichtingen voldaan, want van uiterste consequentie van de toepassing van het dijkrecht, nl. de verkoop van haar onroerend goed, zoals met anderen wel het geval is geweest, is bij haar geen sprake.
De kavel 13 en 14 blijken in 1656 eigendom te zijn van Vrouwe van Leur te Amsterdam, door vererving. In 1753 werden ze verkocht aan Adriana Nool te Amsterdam, weduwe van Jan van de Ende. Bij de koop was inbegrepen het huis op 13 en een halve kavel in het Kamerhop, tesamen 21 morgen en 589 roe, voor de prijs van fl. 900,-. Dat is ongeveer fl. 40,- per morgen. Het diepste punt in de prijsdaling die het gevolg was van de veepest. Koper was Claas Velserboer, die waarschijnlijk de pachter was.

De Kerk van Graft

Kavels 15 en 16 werden in gedeelte toegewezen aan 4 eigenaren waaronder de kerk van Graft. deze behoorde tot de oudste groep die tot bedijking wilde overgaan en daartoe octrooi wilde aanvragen. Het schijnt dat de stadsbestuurders van Alkmaar de Grafter kerkvoogden hebben bewogen van die octrooi-aanvrage af te zien. In ruil daarvoor kreeg de Grafter Kerk toezegging van 25 morgen, maar nog voor 1637 droeg Graft 15 morgen over en nog voor de verkaveling berichtten de dorpsbestuurders dat van de resterende 10 morgen er 3 op naam van de kerk, 3 op naam van de armen en 4 op naam van Jan Claasz Schippers van Graft moesten worden gesteld. Dat is bij de loting in 1643 gebeurd. In 1657 verkochten de armenvoogden, op gezag van de dorpsregering, hun 3 morgen aan de kerkvoogden. Zo behoort her noordelijk deel van nr. 15 sindsdien aan de kerk van Graft.

Perceel 16 werd bij de loting toegewezen aan Jan Jansz Beets. Hij kreeg ook 1 morgen van nr. 12 in het Kamerhop. De Grafter Kerk en de armen aldaar verwierven snippertjes van elk 3/10 morgen van kavel 2 in het Kamerhop en Jan Claasz Schippers kreeg er 2/5 morgen van.

23

Boerderij Jongejans
Kavel 19 en 20
1643 – Allart de Groot
1664 – Dirk Klaasz Schoen
tot 1804 – erven Schoen
1804 – Jan Bakker
1822 – Margaretha Johanna Munter (weduwe Boreel)
1847 – Jhr. mr. Willem Boreel van Hogelanden
1880 – Maria Boreel (gehuwd met baron van Tuyll van Serooskerke)
1928 – Jan Helder
Cornelis Helder
Kees Jongejans

Boerderij Hos
v/h M. Rol
staat op kavel 13
1643 – Sara Turquette
1651 – Vrouwe van Leur
1753 – Claas Velserboer
1768 – Jan Brantjes
1808 – Nicolaas Brantjes
erven Brantjes
erven Schermer
1902 – Maarten Rol
Pieter Rol Cz
Maarten Rol
1991 – Jacob Hos

Hoeve “Antares” voorheen “Hilda’s Hoeve”
Kavel 36 en 37
1643 – Stad Hoorn en burgemeester Allart de Groot
1700 – Jan Pietersz Kapjes
1710 – Anna Klaasd (weduwe Gerrit Toornvliet)
1751 – erven Cornelis Huybertsz
1806 – Klaas Eenhoorn
1810 – Pieter Knip
1844 – Jan Vennik
           Pieter Mus
1901 – Pieter Groot Jz.
         Reindert Jongens
         Hiltje Jongens
Nu: Henk Drayer (alleen de woning, de kavels zijn van Kees Clemens en Wijb Schermerhorn)

 

24

De kavels 17 en 18 werden bij de loting toegewezen aan de redder van de bedijking, jhr. Reinier Pauw. Hij verwierf ook de kavels 21, 22, 47 en 48, alsmede 4 morgen van kavel 8 in het Kamerhop en 2 morgen van kavel 14 in het Kamerhop. Deze werden alle verkocht in 1661, na het overlijden van de jonkheer, zoals al eerder vermeld.

Burgemeester van Hoorn

De nummer 19 en 20 werden bij de loting eigendom van Mr. Allert de Groot, burgemeester van Hoorn. Hij verwierf ook 5 morgen van nr 36 en 2,5 morgen van nummer 6 in het Kamerhop. Hij was deelnemer in de bedijking geworden toen de stad Monnickendam haar deelneming van 25 morgen wilde verkopen. Allert de Groot kocht dat recht van deelneming in 1639. Hij werd later hoofd-ingeland. Naderhand volgde zijn zoon Herman hem op als zodanig. Deze zoon was eveneens burgemeester van Hoorn. Hij en zijn moeder, de weduwe van Allert de Groot, verkochtten echter hun Starnmeers bezit in 1664 aan Dirck Claasz Schoen in de Starnmeer. Vermoedelijk was hij de huurder, die nu eigenaar-zelfgebruiker werd. Zijn geslacht is er tot midden 18e eeuw op de plaats blijven wonen.
Een merkwaardigheid is dat deze eigenaar-gebruiker in werkelijkhied niet Schoen heette, maar Koen. Vermoedelijk is bij het opstellen van de koopakte de uitspraak van zijn naam op z’n Westfries verstaan, als “Dirck Claas Skoen” en vervolgens als “Schoen” opgeschreven. 

Geen land genoeg

De helft van 36 werd nog tot 1703 aangehouden door de familie van de Hoornse burgemeester de Groot. Herman bleef hoofdingeland tot 1666. In dat jaar werd hij als zodanig vervangen door de Amsterdamse regent Herman van de Poll. Het was namelijk niet geoorloofd hoofdingeland te blijven met slechts het bezit van een halve kavel. Om in die functie te kunnen geraken moest men tenminste twee kavels Starnmeers land bezitten.
Jan Jacobz de Groot, eveneens uit Hoorn, bezat sinds de toedeling kavel 37. Zijn erfgenamen verkochten die in 1700 aan de gebroeders Kapjes. Zij kochten dus in 1703 de helft van 36 er bij, maar in 1704 verkochten ze 37 weer, met nog 1 morgen van 36.

O, jofvrouw Sicks…

 De nummers 23 en 24 kwamen door de loting van 1643 in handen van Willem Six, koopman te Amsterdam. Hij verwierf ook 2 morgen in het Kamerhop, van kavel 7. Bij nameting bleek het geheel 23 morgen en 362 roe. Dit bezit is het langst van alle Starnmeerse landerijen in een familie gebleven, namelijk tot 1834.
Daar leek het aanvankelijk niet naar uit te zien. Nadat Willem Six al in 1652 was overlden, bleek zijn weduwe bij herhaling nalatig terzake van har verplichtingen in de polder.
Volgens de rekening van de Starnmeer in 1663 had “Jofvrou Sicks” haar polderlasten niet voldaan, tot een bedrag van fl. 283, 4 stuivers en 14 penningen. Zij was overigens de enige niet. Er waren meer nalatige ingelanden. Echter, toen het polderbestuur meende tot maatregelen te moeten overgaan, geschiedde dat “In ’t speciaal met Jofvrou Sicks”.
Haar dochter, Joanna Jacoba Six, huwde in 1663 met Simon van der Stel. Hij was zoon van een hoge ambtenaar in Indie. 

25         

Boerderij “Over Jisp”
(Uitentuis) Kavel 53 en 54
1643 – Stad Hoorn
1661 – Simon Adriaansz
1694 – Lambert Sijmonsz
1701 – Jan Heertje Molenaar
           Familie Molenaar
1792 – Jan Boon te De Rijp
           Aafje Volger (weduwe van Jan Boon)
1844 – Jhr . mr. Willem Boreel van Hogelanden
1884 – Agneta Cornelia Boreel
1925 – Jan Uitentuis sr.
           Jan Uitentuis jr.
Boerderij Gerrit Rol
Kavel 59 en 60
1643 – Dirck Hasselaar
1645 – Aagje Hasselaar (gehuwd met Hendrik Hooft_
1666 – Hendrik Hooft sr.
1700 – Hendrik Hooft jr.
1717 – Jacob Hop (gehuwd met Isabella Hooft)
1724 – Impje Jans en Aris de Boer
1756 – Jan en Arent Brantjes
1785 – Jan Brantjes
1808 – Grietje Eytjes (weduwe van Jan Brantjes)
           Nicolaas Brantjes
           Fam. Smit-Tuffino te Purmerend
          Jan Rol
          Gerrit Rol
Boerderij Clausen
Kavel 25
1643 – Jan Mieusz te Edam
1661 – Huybert Jansz
1729 – erven Pieter Pietersz
1751 – Neeltje Jans
1787 – Aris Graftdijk en Adriaan de Goede
1821 – Adriaan Graftdijk en Adriaan de Goede
1826 – Izaak Graftdijk
1851 – Jacob de Goede
1878 – Cornelis de Goede
          Aaltje Prins
1918 – Jacob Slooten zuid-deel
          Cornelis Slooten
          Cornelis Leegwater noord-deel
          E.F. Clausen

 

26

Simon verwierf in 1674 het bezit van het Starnmeers land, dat hem bij schifting en deling uit de nalatenschap van zijn schoonvader ten deel was gevallen.

Smeergeld…

Hij werd, in tegenstelling tot andere Amsterdamse eigenaren van land in de Starnmeer, geen hoofdingeland. Zijn ambities gingen een heel andere kant uit. Hij wenste zich een bestuurspost in Zuid-Afrika, dat toentertijd onder de Verenigde Oost-Indische Compagnie behoorde. Maar Simon van der Stel was geen V.O.C.-ambtenaar. De enige manier om tot zijn doel te geraken was: de lieden gunstig stemmen die hem op de gewenste hoge post konden benoemen. Wij zouden dat nu niet meer zo laakbaar achten, maar destijds was zoiets bepaald niet ongewoon.
Weliswaar had Simon geen kapitaal, maar hij nam een hypotheek van fl. 5500,- op zijn Starnmeers bezit en bereikte daarmee wat hij wilde. Hij werd commandeur en later goeverneur van het steunpunt dat de V.O.C. zich op weg naar Oost-Indie eigen had gemaakt in Zuid-Afrika: de Kaapkolonie. Hij stichtte er weldra de plaats die naar hem Stellenbosch werd genoemd. Ook gaf hij er de stoot tot de Kaapse wijnbouw. Hij was, meer nog dan Jan van Riebeek, de eigenlijke grondlegger van het Hollandse Zuid-Afrika. Zo heeft op merkwaardige wijze de Starnmeer deel gehad aan wat in Zuid-Afrika door Simon van der Stel voor elkaar is gebokst…
Het Starnmeers bezit van Van der Stel is gedurende de hele 18e eeuw onverdeeld in de familie gebleven. Nog in 1807, toen de ingelanden werden opgeroepen ter benoeming van een nieuw college van hoofdingelanden, bleek een van die ingelanden Simon van der Stel te heten, met de eigendom van 23 morgen en 362 roe. Precies dezelfde oppervlakte als indertijd bij de nameting eigendom was van Willem Six.

Rentmeesters

Het land is dus dankzij vererving in de familie gebleven. Maar het merkwaardigst is wel dat dit onverdeeld is geschied, dus gemeenschappelijk eigendom van de familie Van der Stel is gebleven. Wellicht echter zijn er familieleden geweest die zich dit eigendom in de Starnmeer niet bewust zijn geweest. Er waren inmiddels rentmeesters aangesteld, die zich met het beheer bezig hielden, pachtcontracten afsloten enz. enz.
Pas in 1831 begonnen familieleden zich af te vragen wie eigenlijk rechthebbenden waren. De echtbank van Eersten Aanleg wees vonnis op 28 juli 1831. Daarin werden erfgenamen aangewezen van de onverdeelde boedel van Simon van der Stel. Hun aantal was aanzienlijk. Er waren er vier van het geslacht Ruysch en slechts een die Van der Stel heette.

Absente onbekenden

De rechtbank hield zich er overigens van overtuigd dat er meer rechthebbenden waren en wees een vertegenwoordiger aan van absente onbekende mede-eigenaren. Voorts bepaalde de rechtbank dat het bezit moest worden verkocht en dat dan de aangewezen erfgenamen en de vertegenwoordiger van de absente onbekende mede-eigenaars zouden overgaan tot schifting, scheiding en verdeling van de bij voortduring onverdeelde en in het gemeen gebleven eigendom.
in overeenstemming met dit vonnis kwamen belangheibbenden overeen, ten overstaan van mr. Johannes Commelin, notaris te Amsterdam, over te gaan tot publieke verkoop, op 5 mei 1834. Koper werd Joan Frederik Schaade te Amterdam, die fl. 5250,- betaalde, te weten fl. 4600, – voor het land met behuzing in de Starnmeer en fl. 650,- voor het land in de Kamerhop.

 

27

 

 

Deze veel gefotografeerde stolp met koehuisstaart is waarschijnlijk de oudste boerderij in de Starnmeer. De ouderdom wordt geschat op circa 240 jaar. De voorgevel is echter halverwege de vorige eeuw vernieuwd.

Het erf was na de inundatie van 1944-1945 het eerste wat herbeplant was met bomen, door Dirk Meland Winterstein.

Boerderij K. Slooten

Kavel 31 en 32
1643 – Frans Jacobsz, Jan Cornz. Hensbroek en Corn. Maartensz.
1651 – deel Hensbroek aan Corn. Maartensz
1792 – Adriaan de Lange, de helft in 2 kavels
1731 – Jan Boon, helft in 2 kavels
1751 – Weduwe jan Boon, beide kavels
1806 – Jan Boon jr.
1815 – Aris Dik
          Jannetje Dik (gehuwd met Roelof Velthuis)
          Pieter Davids (gehuwd met Grietje Velthuis)
          Trijntje Davids (gehuwd met D.M. Winterstein)
          Cornelis Wiedijk en Klaas Slooten, elk 9,04 ha.
          Klaas Slooten, beide kavels

 

Boerderij Schermerhorn
Kavel 34 en 35
1643 – Jacob Pietersz Vael en mr. Allart de Groot, burgemeester van Hoorn.
1718 – Sijmen Cornelisz Kooiman (2/3)
1760 – Annetje van Hoorn (1/3)
1761 – Cornelis Haring en Pieter Blank
1768 – Cornelis Haring
1780 – Jan Albertz Oly
1797 – Jan Ouwelz. van der Sluis
1801 – Agie vd Sluis
1821 – Dieuwertje van der Sluis
1827 – Lourens Veer
1851 – Pieter Hart
1861 – Guurtje Waal
1871 – Jan Stuyt
1881 – Aaltje Broers
1900 – Michiel Otjes
           Wijbrand Schermerhorn
           Willem Schermerhorn
           Wijbrand Johan Schermerhorn

De nieuwbouw, dit kloeke kop-romp-type, van 1956, 1957, is en creatie van architect Siem Bak te Heiloo.

De oude boerderij op deze plaats (zie pagina 122 midden), dreog in blauwe dakpannen het jaartal 1879. Eind vorige eeuw, begin deze eeuw stond in de voortuin ervan een Neptunus-beeld van wit-marmer. Van Jan Stuyt werd verteld dat hij dat beeld boven op het dak wilde plaatsen.

28

 Het oorspronkelijke Amsterdams bezit kwam dus wederom in Amsterdamse haden. Maar niet voor lang.
Schaade, die koopman en winkelier was op de Haarlemmerdijk, in katoenen en wollen stoffen, was meer dan een gewone winkelier. Hij had zijn debiteuren in heel Noord-Holland; betrok zijn handelswaar uit binnen- en buitenland en bezat een buitenverblijf, “Landlust” geheten, te abcoude. Dat was een herenhuis met tuinmanswoning, koetshuis, paardestal, koepel, menagerie, schuitenhuis, slingerbossen, boomgaard enz. enz. Hij overleed er in 1841. De weduwe en haar dochters hadden geen interesse in het behouden van hun Starnmeers bezit. Het werd op 4 juli 1842 ten overstaan van notaris Meyer Cluve te Amsterdam verkocht aan Muus Slooten in de Starnmeer, voor fl. 6950,-. De hofstede heette “Onverwachts” en bestond uit een huismanswoning met stalling, hooihuis en varkensboet met landerijen.

 

 

Boerderij “Onverwacht” van Klaas van der Meer
Kavel 23 en 24
De boerderij dateert van 1870 en werd  gebouwd in opdracht van Klaas van der Meerdie met Trijntje Slooten was getrouwd (zie pag.30). Uitgebreid met noorddeel kavel 9 en 10.
Boerderij Jan Nat
Kavel 13
1643 – Sara Turquette
1651 – Vrouwe van Leur
1753 – Adriana Nool
1758 – Claas Velserboer
1768 – Cornelis Smout: zuidelijk deel
          Jan Brantjes: noordelijk deel
          Jacob Klaver
          Jan van de Meer
          Aris Veldhuis
          Jan Nat
          Dirk Nat
          Jan Nat          

 

 

29

 

 

Dit zijn Dirk Graftdijk en zijn vrouw Maartje Los. Ze woonden op “Kikkerstein” (nu boerderij Gerard Jongens). Dirk Graftdijk was een zoon van Klaas Graftdijk en Maartje Blauw; kleinzoon van Aris Graftdijk en Neeltje Braak en van Aris Blauw en Guurtje Plugboer.
Maartje Los was een dochter van Jan Brant Los en Antje Voren. Zij had twee zusters: Trijntje en Pietertje. Trijntje trouwde 26 april 1840 te Akersloot met Klaas Muusz Slooten van Markenbinnen. Hun twee dochters, Antje en Trijntje (Slooten) trouwden 1 mei 1870 te Akersloot met respectievelijk Jan Peek en Klaas van der Meer ut de Starnmeer.

 

 

 

 

 

 

Boerderij Nic Luitjes
Kavel 40
1643 – Jhr. Adriaan Pauw
1660 – Havick vd Velde te Alkmaar
1666 – Jan Pieterz. Beck (noordelijk deel)
           Dieuwertje Bax
           Ds. Albert Vredenduin
1817 – Maarten Oly
1827 – Lourens Veer
1860 – Jan Kuyper
1870 – Ever Besse Jz.
1902 – Pieter Reyne
1920 – Jocob Roelofs 
1925 – Jan ten Wolde
           Simon Veldboer
           Nel Veldboer
           Nic Luitjes

 

30

 

De kavelnummers 25 en 26 werden toegewezen aan burgemeester Jan Mieusz van Edam en aan Claes Theunisz. Deze burgemeester deed in 1659 zijn kavel 25 over aan twee “huislieden”, voor fl. 5394,-. Elk kocht de helft. Een van de twee was Huybert Janz in de Starnmeer, die in 1662 ook de andere helft kocht. Waarschijnlijk wa hij zelfgebruiker.
Cleas Theunisz, die kavel 26 verwierf, was ook burgemeester.
Zijn erfgenamen verkochten de kavel in 1686 aan Pieter Auwelsz Prins, oud-schepene in De Rijp, voor fl. 160,- per morgen. Claes Theunisz had ook 1 morgen in het Kamerhop, in kavel 11.

De Nachtwacht

Willem van Ruytenburgh, heer van Vlaardingen, kreeg bij de loting de kavels 27 en 28 toegewezen, benevens 2 van de 4 morgen van kavel 1 in het Kamerhop. Hij is wereldberoemd geworden als een van de hoofdfiguren op Rembrandt’s “Nachtwacht”, welke in werkelijkheid een schutterij onder aanvoering van Frans Banning Cocq uitbeeldt. Van Ruytenburg is daar de man in het goudgele kostuum. Hij vervult er een belangrijker rol dan hij als landbezitter in de Starnmeer heeft gedaan. Blijkbaar is hij er uitsluitend deelnemer in de bedijking geworden door aandringen van zijn zwager, jhr. Reynier Pauw. Toen van Ruytenburgh stierf in 1652, ging zijn Starnmeers bezit over op zijn zoon Jan van Ruytenburg, die zich ook heer van Vlaardingen mocht noemen.
Hij verkocht naderhand zijn land in de Starnmeer aan Jacob Fransz, de schout van De Rijp. Deze noemde zich later Jacob Fransz Schouten. Hij was een zoon van Frans Jacobsz, die ook schout was in De Rijp en bovendien dijkgraaf van Starnmeer en Kamerhop.
Jan van Ruytenburgh ontving geen beste prijs voor zijn land. Het bedrag van fl. 160,- per morgen (totale koopsom fl. 3800,-) was absoluut te laag, zelfs als men de toendertijd sterk gedaalde waarde van het Starnmeerland in ogenschouw neemt. Maar misschien wilde Van Ruytenburgh zich “tegen elke prijs” van het land ontdoen. De desbetreffende kavels zijn nadien tot de Franse tijd niet meer getransporteerd. Ze kwamen door vererving omstreeks 1710 in een ander Rijper geslacht en dat bleven ze gedurende de hele 18e eeuw. Een telg uit dat geslacht, dr. Jacob Groen, geneesheer in De Rijp, is lange tijd heemraad van Starnmeer en Kamerhop geweest.

De Rijper Kerk

De kerk in De Rijp verwierf 5 morgen van kavel 30. De andere helft en kavel 29 werden toegewezen aan Aris Dircksz, eveneens uit De Rijp. Hij was heemraad ten tijde van de verkaveling. Later werd hij secretaris-penningmeester van de polder. Toen hij in 1649 overleed, hebben zijn erfgenamen het bezt nog enige tijd aangehouden. In 1665 verkochtten zij het, met de behuizing, aan een Alkmaars koopman, die ook de andere helft van kavel 30 kocht. Deze Alkmaarder was geldschieter van de bedijkers geweest.
Dijkgraaf Frans Jacobsz uit De Rijp verwierf bij de loting de helft van kavel 31, benevens de hele kavels 39, 41 en 42 plus de toegift in het Kamerhop, groot 3,5 morgen van kavel 3.
De andere helft van 31 viel toe aan Jan Cornelisz Hensbroeck.
Kavel 32 werd toegewezen aan Cornelis Maertens in De Rijp. Er zijn geen transporten bekend van deze kavels.
Kavel 34 werd toegekend aan Jacob Pietersz Vael, notaris te Enkhuizen.

 

 

31

Boerderij P. Reyne jr.
“De Kromme Kavel” (26)
1643 – Claes Teunisz, Burgemeester van Edam
1686 – Pieter Auwelz. Prins, vroedschap in De Rijp
1706 – Pieter Capitein
1804 – Jacob Klaver
1831 – Bucherdus Abbring
            Jan Brand Los
1869 – Klaas Slooten
1891 – Pieter van der Oord
            Cornelis Poppen 
            Pieter Poppen
            Adriaan Poppen 
            Pieter Reyne 
          

 

Boerderij C. Slooten
Kavel 50
1643 – Jan van Gheel
1681 – Daniel van Gheel
            Jan van Geel
            Gerrit Hooft en kinderen van Hendrik Hooft
1758 – Corn. Haring te West-Graftdijk
1760 – Jan Braak
            Adriaan de Goede 
1843 – Muus Slooten
           Klaas Slooten
          Jacob Slooten
          Cornelis Slooten
          Jacob Slooten
Boerderij C. Clemens
Kavel 39
1643 – Jacob Pieter Vael, notaris te Enkhuizen
1653 – Corn. Arentz Craft
            Wilhelmina Craft
zuid-deel: Armen van Wormer
noord-deel:
1730 – Huybert Dircksz
1768 – Geertje Jans Koen (weduwe van Huybert Dirksz)
             Jan Brantjes
1808 – Nicolaas Brantjes
             erven Brantjes
             Jacob Roelofsen
1921 – Tijmen Toereppel
1925 – Jan ten Wolde
            Pieter Roskam
            Cornelis Clemens

32

AFBEELDINGEN

 Hij droeg dit bezit in 1657 over aan Heertien Pietersz Molenaar en diens “snaer” (schoonzuster) te Jisp. In 1663 verkochtten zij het land aan iemand uit de Beemster, die het spoedig daarna eveneens weer verkocht.
Hendrick Dircksz Passer, advocaat te Hoorn, verwierf nr 35 bij de loting. In een register van morgentallen in de Starnmeer met de namen van eigenaren en gebruikers omstreeks 1653, wordt als “selffs bruyker” met 12 morgen genoemd Adriaan Hendricksz Passer, die in 1653 nog poorter van Hoorn was. Deze zelfgebruiker kan niet anders dan een zoon van advocaat Hendrick Passer zijn geweest. Indien het land zijn eigendom was, zoals het register suggereert, kan dat niet lang het geval zijn geweest, want in 1670 verkocht mr. Dirk Passer, advocaat te Hoorn, de kavel 35. Dirk was een andere zoon van mr. Hendrick Dircksz.
Kavel 40 werd geloot door Adriaen Pauw, heer van Heemstede en raadspensionaris. Zijn zoon Michiel erfde het van hem. Na diens dood verkocht zijn weduwe de 10 morgen aan Havick van de Velde te Beemster. Hij stierf spoedig daarna. Zijn erfgenamen verkochten het land zodanig dat het land verdeeld raakte. De noordelijke helft werd eigendom van Jan Pietersz Beck en Jan Cornelisz Beets in De Rijp. De zuidelijke helft werd eigendom van Pauwelis van de Velde.
Toen laatstgenoemde overleed, werden zijn eigendommen publiek verkocht in 1677. Deze omvatten meer dan de zuidelijke helft van akvel 40. Koper werd Nicolaas Klopper, koopman en reder ter walvisvaart te Amsterdam. Hij werd daarvoor tevens eigenaar van de noordelijke helft van kavel 39 en de hele kavel 38. De koopsom bedroeg fl. 7127,40 wat neerkomt op fl. 350,- per morgen.. Een aanzienlijke prijsval in vergelijking met de kostprijs per morgen die de bedijking had gekost.
Een dochter van Nicolaas Klopper trouwde met Gilles van Hoven, eveneens een telg uit een Amsterdams koopmansgeslacht. Zijn zoon, Gilles van Hoven de jonge, papierkoper en fabrikant, was de volgende eigenaar.
Hij werd in 1717 hoofdingeland, waarvoor volgens kavelcondities de eigendom van 20 morgen noodzakelijk was. Hij verkocht echter zijn bezit in de Starnmeer in 1730, voor fl. 4600,-. Dat was fl. 230,- per morgen. Een aanzienlijk verlies, maar hij zal door het woeden van de veepest ontmoedigd zijn geweest en bevreesd voor verdere waardedaling. Koper was Huybert Dircksz, die zelfgebruiker werd.
De kavels 43 en 44 werden bij loting toegewezen aan “Juffr” Adriana Cole, de schoonmoeder van jhr. Reynier Pauw. Kavel 44 was slechts 8 morgen en 7 roeden. Zij kreeg daarom het oostelijk deel van 64, ter grootte van 2 morgen als toegift. Ook de kavels 61 en 62 ontving zij bij loting. Haar toegift in het Kamerhop was 3 morgen van kavel 5.
De kavels 49 en 50 vielen toe aan Johan van Gheel, heer van Spanbroek en koopman op Italie en de Levant. Hij was, evenals Reynier Pauw, een schoonzoon van Adriana Cole. Toen zij overleden was, machtigden Reynier Pauw en Willen van Ruytenburgh in 1648 het polderbestuur om het gehele bezit van wijlen Adriana Cole te stellen op naam van hun zwager Johan van Gheel. Deze werd daardoor, naast Reynier Pauw, met 60 morgen de grootste deelhebber in de polder. Van het restant van kavel 64 bezaten beiden 2 morgen.
Na de dood van Johan van Gheel ontving zijn weduwe de 2 morgen in kavel 64.

 

33

Dichtbij de plek waar van 1643 tot 1827 de “Ruige of Zaandermolen” stond, staat sinds 1987 als teken van de nieuwe tijd, de bungalow van Cees Konijn.
De molen stond waar nu een waterkering lig: de bungalow staat op een stukje van kavel 50. Konijn exploiteerr een (niet meer agrarisch) loon- en grondverzetbedrijf.

Op de grens van het oude land (Markerveld) en het nieuwe staat sinds 1970 de boerderij “Werk en rust” van Pieter Dirk Koster. Hierbij hoort de Starnmeerkavel 63,
1643 – Willem Claesz Hacket
1664 – Claes Claesz in De Rijp
1748 – Huybert Adriaansz Kreb
1761 – Jan Jacobz Tijs (gehuwd met Geertje Kreb)
1763 – Claas Lely te Wormerveer
1792 – Grootes En Comp Wormerveer
1827 – Meidert Grootes em Gerrit Hop te Wormerveer
1848 – Pieter Groot
1861 – Jan Koster
1897 – Jan Koster Jz.
1918 – Dirk Koster
1921 – Dirk Koene 1,6 ha.
          Jan Dirkz Koster
          Pieter Dirk Koster
  

Boerderij Konijn
Kavel 61 en 62
1643 – Adriana Cole
1648 – Jan van Gheel
1661 – Maria van Gheel (gehuwd met Jacob van Reigersberg, Middelburg
1771 – Cornelis Bek
          Meynard Bek
1810 – Jan Brouwer
1846 – Trijntje Bus
1846 – Corn. Laan, fabrikant te Wormerveer
           Agatha Joanna Laan
1939 – Cornelis Jan Koster
1950 – Simon J. Konijn
           Gerard S. Konijn

34

Johan van Gheel had drie kinderen: Cornelis, Daniel en Maria. De laatste huwde met Jacob van Reygersberg, heer van Couwere in Zeeland. Cornelis stierf kinderloos in 1682, waardoor het bezit in de Starnmeer verdeeld raakte.
Kavels 44, 49 en 50 kwamen in handen van Daniel van Gheel, terwijl 43, 61 en 62 met het restant van 64 in Zeeuwse handen kwam. Cornelis van Gheel, zoon van Daniel, deelde met zijn broer, de heer van Spanbroek. De kinderen van Cornelis overleden allen kinderloos. Het laatst Jan van Gheel, in april 1658. Hij bezat de helft van 44 plus 49 en 50. Kavel 50 lag deels ten noorden, deels ten zuiden van de Middelweg. Jan van Gheel liet zijn bezit na aan zijn neef Gerrit Hooft en aan de kinderen van mr. Hendrik Hooft. Het geslacht Van Gheel was reeds vermaagschapt geraakt aan het geslacht Hooft, dat we kennen door de verbinding met het geslacht van majoor Hasselaar.
De erfgenamen voelden blijkbaar niets voor hun bezit in de Starnmeer. Net zomin als hun oom Jacob Hop en zijn kinderen, in 1722. Verklaarbaar, na de treurige ervaringenmet de veepest.
Reeds in 1755, een maand na de dood van Jan van Gheel verkochten zij de landerijen publiek te Amsterdam. Koper werd Cornelis Haring te West-Graftdijk, voor fl. 2400,-.

Zeer lage huur

Huurder van land en woning was Jan Braak, die het in huur zou houden tot 1 mei 1760 voor 543 gulden, 11 stuiver en 8 penningen per jaar. Dat is ongeveer fl. 14,- per morgen. Een zeer lage huurprijs voor onze begrippen. Jan Braak kocht echter nog in hetzelfde jaar het hele bezit van Cornelis Haring voor fl. 3100,-, zodat Haring in korte tijd een winst had van fl. 700,- had gemaakt.
Van Jan Braak ging het later over op diens schoonzoon, Arian de Goede. De behoorde tot de toonaangevende geslachten van zelfgebruikers na 1800.
De andere helft van 44 ging over aan de heer van Spanbroek, die gehuwd was geweest met zijn nicht, Jacoba van Reygersberg.  Uiteindelijk kwam de erfenis aan neef en nicht Jacob en Maria van Reygersberg, Jacob overleed in 1762 kinderloos te Middelburg. Zijn bezit in de Starnmeer kwam toen aan zijn zuster en haar kinderen, allen in Zeeland. Die bezaten toen nr 43, de helft van 44, het restant 64 en de nummers 61 en 62, benevens 8 morgen in het Kamerhop, voordien bezit van de vader en grootvader van Maria van Reygersberg. Zij verkochten hun bezittingen in 1772 aan Cornelis Beck, die op dat tijdstip dijkgraaf en penningmeester van de Starnmeer was.
Deze transactie betrof een hoeve met 30 morgen van de nrs 43, 61 en 62, met de boerenwoning op 62; een hoeve van 15 morgen, bestaande uit de helft van 44, de helft van het restant 64, benevens 8 morgen in het Kamerhop met behuizing. De prijs was fl. 6000,-.
Aangezien de ene hoeve tweemaal zo groot was als de andere en op beide een boerenwoning stond, kan men de prijs van de ene wel op ongeveer fl. 4000,- stellen en de andere op fl. 2000,-.
Al heel spoedig verkocht Beck de kleine hoeve aan Pieter Auwelsz Prins voor fl. 3000,-. Prins woonde in het Kamerhop. Hij is zeer waarschijnlijk van huurder zelfgebruiker geworden.

 

35

Jacob Root van de Laanweg was in zijn tijd eenenthousiast deelnemer aan arwerdstrijden op het ijs. Hij was ook de mede-oprichter van de kaasfabriek “’t Spijkerboor”.
De geschiedenis van de fabriek staat op de pagina’s 92-94.

Boerderij Nieuwenhuizen
Kavel 45
1643 – Dirck Joosten Rijskam
           Hendrik Rijskam
1664 – Corn. Cornelisz Goeman
1758 – Corn. Pietersz Groot, gehuwd met Trijntje Goeman
1806 – Pieter Cornelisz Groot
           Aris Schouten
1885 – Simon Konijn
           Paulus Root
           Jacob Root
           J. G. Nieuwenhuizen

De boerderij is als “Wieringermeerbouw” ontworpen door architect Ubbels te Jisp, in 1961. In 1971 verbouwd tot meergezinswoning, naar ontwerp van architect Jos Schmidt te Akersloot.
Bewoond door Gré Nieuwenhuizen-Root, Greet Nieuwenhuizen en fam. E. Liefting. 

 

36

Ook de grotere hoeve is verkocht, maar dat gebeurde pas in 1807. Toen verkocht Meynard Beck, de zoon van Cornelis, die zich in Parijs had gevestigd, de kavels 61 en 62 voor fl. 6200,- aan Jan Brouwer en nr 43 voor fl. 3300,- eveneens. Op 43 stond geen huis. Toch bracht de kavel meer op. Per morgen waren de opbrensten resp. fl. 310 en fl.330. Ten opzichte van 1772 was de prijs aanmerkelijk opgelopen en er was een goede winst gemaakt.

Huis te Egmond

Dirk Joosten Rijskam, hoogstwaarschijnlijk een Amsterdammer, had in de bedijking deelgenomen voor 10 morgen. Hem viel bij de loting kavel 45 ten deel. Hij en na hem zijn zoon woonde op de hoeve “Huis te Egmond”. Het merkwaardige is echter dat er al voor augustus 1943, de datum van de verkaveling, van dat “Huis te Egmond” werd gesproken. Toen kon men echter nog niet weten aan wie een bepaalde kavel zou toevallen. Het lijkt dan ook enigszins twijfelachtig of dit “Huis te Egmond” in de Starnmeer stond. Een twijfel die nog versterkt wordt door het feit dat zich aan de westdijk van de Purmer een boerderij met diezelfde naam bevindt.
Bepalen we ons verder tot de kavel 45, dan kan worden vermeld dat Hector Rijskam deze in 1664 verkocht, tesamen met 4 morgen in het Kamerhop, voor fl. 8000,-. Dat is ongeveer fl. 570,- per morgen en het betekent aanzienlijk verlies op de kostprijs van de droogmaking, à fl. 880,- per morgen.
Koper was Cornelis Cornelisz Goeman, die woonde in het huis op deze kavel. Goeman was blijkbaar huurder en is zelfgebruiker geworden. Zijn bezit is door vererving verbrokkeld, maar door samenvoeging kwam het geheel weer in één hand, doordat in 1758 Cornelisz Pietersz Groot, die getrouwd was met Trijntje Cornelisd Goeman, eigenaar werd. De waarde bedroeg toen fl. 2100,- wat neerkomt op fl. 150,- per morgen. Een enorme terugval sinds 1664. Toch was men op dat moment al het diepste dal gepasseerd.
Het bezit moet verder in het geslacht Groot zijn gebleven tot althans 1811.

Familie Beck

Kavel 46 was bij de loting toebedeeld aan Elisius Hazel te Amsterdam, die ook voor 10 morgen in de droogmaking had deelgenomen. Zijn erfgenamen verkocht de kavel in 1661 aan Willem Cornelisz Beck, telg uit een koopmansgeslacht in De Rijp. Kavel 46 bleef in deze familie, die van lieverlee veel land in de Starnmeer en het Kamerhop verwierf. Diverse leden van de familie Beck hebben deel uitgemaakt van het polderbestuur.
Daarover elders meer bijzonderheden.
De kavels 51 en 52 werden toebedeeld aan Pieter Menten uit De Rijp. Hij was de eerste penningmeester in het polderbestuur, maar is in 1664 uit zijn functie gezet. Hij bleef wel in het bezit van het hem toebedeelde land. Na zijn overlijden verkochten zijn beide zoons het. Kavel 51 kwam in bezit van Elisabeth Luyps te Rotterdam om vervolgens door vererving in het Amsterdamse bankiers- en koopliedengeslacht te geraken. In 1686 was Govert Lups eigenaar. Deze heer stond in 1697 op het drietal voor de benoeming van dijkgraaf in de Starnmeer, maar hij werd niet gekozen. Het land bleef in de familie Lups tot 1784. In dat jaar werd het à fl. 125,- per morgen verkocht aan Jan Brandjes. Deze nieuwe eigenaar behoorde omstreeks 1800 tot de toonaangevende families van zelfgebruikers.

 

37

Boerderij Marrees
“Ouders Wens”, voorheen “Groenveld”.
Kavel 44
1643 – Jan van Gheel
1682 – Daniël van Gheel, Gerrit Hooft en Jan van Gheel
1758 – Corn. Haring
1771 – Jan Braak
1795 – Adr. de Goede
1842 – Corn. de Goede
1849 – Evert Besse
           Jan Besse
1948 – Evert Besse
1950 – Jacobje Dusseljé (weduwe van E. Besse)
1951 – Corn. Marrees
           Klaas Marrees
           Corn. Marrees
Boerderij Nelis
Kavel 57/58
1643 – Ysbrant Jansz de Lange en Jacob Meyndertsz Jonck
1681 – Willem Pz. Lakeman in De Rijp
1722 – Pieter ’t Lam en Huybert Adriaansz
1737 – H. Adriaansz alleen
1753 – Huybert Az. Kreb
           Jan Jacobz Tijs
1790 – Meindert Houwe
1832 – Muus Slooten
1862 – Jacob SLooten
           Klaas Slooten
1884 – Cornelis Davids
           Gerrit Haan
           Corn. P. Noom
           R. Nelis

Boerderij K. Peek
“Ons Genoegen”
Kavel 49 – Jan van Gheel
1681 – Daniël van Gheel
          Jan van Gheel
          Gerrit Hooft en kinderen H. Hooft
1758 – Cornelis Haring
1760 – Jan Braak
           Adr. de Goede
 1843 – Klaas Peek
            Jan Pieter Peek
            Klaas Peek

 

38

 De kavel 52 werd door zoons van Pieter Menten verkocht aan Hendrick Jacob Roos te Enkhuizen, in januri 1661. Een van de zoons Menten was haringkoper te Enkhuizen. Bij testamentaire beschikking ging de kavel over op de weduwe Roos en na haar weer op een ander, die het in 1701 verkocht aan Meynert Beck, penningmeester van de Starnmeer. Het bleef in zijn familie.
De kavels 55 en 56 vielen toe aan respectievelijk de erven Jan Willemsz Harinkgooper en aan Dieuwer Arents in De RIjp. Er zijn geen verdere bijzonderheden bekend.

De armen van De Rijp

  Heemraad Ysbrant Jansz de Lange verwierf 58. Kavel 57 viel toe aan zijn collega-heemraad Jacob Meyndertsz Jonck. Beide kavels kwamen in 1688 aan de Armen van De Rijp, tot 1722.
De Armen van De Rijp hadden dus toch uiteindelijk nog bezit gekregen in de nieuwe polder, zoals in de allervroegste plannen ook de bedoeling was.
De twee “armenkavels” werden steeds tegelijk verhuurd. Ze behoorden tot één bedrijf, met de behuizing op nr. 58. Om de drie jaar werd door neutrale personen een schatting gemaakt van de waarde, aan de hand waarvan de pachtprijs werd bepaald. Er werden ook bijzondere voorschriften uitgevaardigd aan de pachters. Van beide kavels moest evenveel worden gehooid. De mest moest buertelings op de ene en op de andere kavel worden gebracht. Een voorbeeld van wat we nu rationele exploitatie zouden noemen.

En verder

Enkele kavels zijn nog niet genoemd. Aan nr. 36 wijden we een speciaal hoofdstuk, waarbij ook de kavels 41, 42 en 39 nog ter sprake komen.
Een ander bijzonder geval betreft nr. 63, het laatste te “vergeven” perceel land in de Starnmeer. Het was gewoon over. Er was geen deelnemer aan de bedijking die er meer voor in aanmerking zou kunne komen. Het is met goedvinden van hoofdingelanden, dijkgraaf en heemraden in openbare veiling gebracht. Koper werd heemraad Willem Claes Hacket, voor fl. 496,-. Hij kreeg als toegift nog een kavel Kamerhops land van kavel 13 aldaar. Deze Willem Claes was dus geen deelnemer in de bedijking; hij melde zich als het ware als gegadigde ten tijde van de verkaveling en kon toen door zijn aankoop van 10 morgen land alsnog heemraad worden. Deze kavel ligt in de zuidelijke polderpunt.
Kavel 64 was een andere restkavel, langs de noorddijk bij Spijkerboor, dia al bij de verkaveling meteen in gedeelten werd uitgegeven, deels samen met nr. 44.

In het boekje “Hollands Noorderkwartier met betrekking tot zijn waterstaat”, door P. Schuitemaker Jz., onderwijzer te Barsingerhorn, uitgegeven te Amsterdam door Weijting en Brave, 1900 (prijs fl. 1,25), staat vermeld:
“Bij reglement van 11 november 1886 is bepaald, dat, zodra het peil van Schermerboezem bij de hoofdseingever, dat is: aan de molen, staande aan het Noordhollands Kanaal bij Oost-Graftdijk, gelijk is aan A.P., alle gemalen moeten stilstaan tot zolang het boezemwater aldaar weer is gedaald tot 0,10m beneden A.P.” 

Meer over boezempeilbeheer op pag 65 e.v.

39

Het proces over de Tapsloot

In 1685 raakte de Starnmeer in erntige problemen verwikkeld. Dat was een gevolg van het feit dat het in de periode vóór de droogmaking, namelijk in 1640, tot een samensmelting was gekomen van twee projecten.
Aan het waterschap de Schermeer was de verplichting opgelegd, en verbinding te graven tussen de Stierop en de Nauernasche Vaart. De Schermeer zou eens en voor altijd fl. 15.000,- betalen aan de Starnmeer.
In 1632 echter was tussen De Rijp, dat octrooi aanvroeg voor de droogmaking van de Starnmeer, en het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen een overeenkomst tot stand gekomen. Daarin nam de Starnmeer op zich, de ringvaart aan de westzijde eeuwigdurend te onderhouden. Deze ringvaart kwam en komt uit bij de oliemolen “De Vrede” aan de oude tochtsloot of Tapsloot halverwege Knollendam en het begin van de Nauernasche Vaart (op de plaats van de molen staat nu de gelijknamige fabriek).
De bestuurders van de Starnmeer waren klaarblijkelijk van mening dat zij niet verplicht waren tot het onderhouden van de korte afstand tussen de oliemolen en en de Nauernasche Vaart. Zij besloten op 13 mei 1687 een desbetreffend proces voort te zetten. Wellicht gesterkt in hun overtuiging door een lastgeving van het Hoogheemraadschap aan de Schermeer, waarin opdracht werd gegeven de ondiepe plassen weg te werken.
De Schermeer echter wentelde de verplichtingen betreffende de Tapsloot af op de Starnmeer en… werd in het gelijk gesteld door het Hof van Holland. De Starnmeer moest betalen: in 1686 fl. 36,- aan onkosten over het proces en in 1690 vermeldt de rekening onder “verscheidene werken” de betaling van fl. 553 en 15 stuivers voor de Tochtsloot (Tapsloot).
De rekening van 1692 vermeldt een betaling van fl. 614 en 4 stuivers aan procureur Starvelt wegens het proces, dat dus de Starnmeer alles bijeen fl. 1200,-had gekost. En dat op een moment waarop de toestand van de financiën nog allerminst rooskleurig was.

Hoewel het Markerveld zoijn eigen polderbestuur had, heeft dat van de Starnmeer in 1651 financieel bijgedragen aan de oprichting van de molen “De Spin” die het Markerveld bemaalde. De Starnmeer had immers belang bij een goede afwatering ook van die polder. De molen is afgebroken in 1928. Piet Korver was er de laatste molenaar.

 

40