Onderdeel van de Stelling van Amsterdam

 

De Engels/Russische invasie van 1799 had de kwetsbaarheid van Amsterdam vanuit het noorden aangetoond. Het Groot Noordhollandsch Kanaal kwam pas 20 jaar later en alle meren in Noord-Holland ten noorden van Amsterdam waren al drooggelegd. Rond 1870 liepen de spanningen in Nederland weer hoog op. Pruisen was op alle fronten een opkomende macht en de Frans-Duitse oorlog liet zien dat de bestaande Nederlandse vestingwerken niet meer tegen de nieuwe geschuttechnieken opgewassen waren. 

De Vestingwet van 1874 bepaalde dat de oude vestingsteden werden ontmanteld, de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd de nieuwe hoofdverdedigingslijn van het stelsel en rond Amsterdam moest een nieuw aan te leggen kringstelling van forten en inundatiegebieden komen. De Starnmeer werd hier onderdeel van en zou bij gevaar dus ook onder water gezet worden.

Het tracé van de hoofdverdedigingslijn van de Stelling, dat in 1894 pas definitief was vastgesteld, maakte op veel plaatsen gebruik van bestaande dijken en waterlopen. Het Noordfront volgde tussen Edam en Spijkerboor de ringvaarten en het Noordhollandsch Kanaal. Vanaf daar ging het als Noordwestfront verder via de Knollendammervaart via de kade van de Markerpolder over Marken-Binnen richting Velsen en IJmuiden. Waar nodig werden dwars door polders speciale wegen en liniewallen aangelegd, die in de eerste plaats als keerkades dienden maar die ook konden worden gebruikt voor het aanleggen van een gedekte weg.

Zo werd iets ten zuiden van de Butteroordsweg (langs het huidige Sternéo terrein) een liniewal aangelegd van 460 meter lang, een voet van 13 meter en 3 meter hoog. De laatste restanten hebben er tot enkele jaren terug nog gelegen). Deze liniedijk was om de zuidpunt van de Starnmeer droog te houden en daar batterijen en reserves op te kunnen stellen. De voornaamste verdediging was het geïnundeerde terrein, dus de inlaten daarvan moesten verdedigd kunnen worden. Ook lag er een sluis in de Saendertocht die onder deze liniedijk doorliep.

 

Opgesteld geschut in 1914-1918 (naast het vaste geschut van de forten). Op de “Westbatterij” bij het meertje 2x 4 12 cm kanonnen. Bij de poort van het fort een mitrailleurpost. Op de “Oostbatterij” 2x 4 12 cm kanonnen. Op de liniedijk bij de inlaat een mitrailleurpost. Op de Vuurlinie t.o. de Inlaat een 15 cm L/24 kanon op afuit. T.o. de Middelweg aan de vuurlinie een mitrailleurpost. Ergens in het midden langs de Militaireweg 2 x 12 cm kanonnen. Een mitrailleurpost bij de brug Spijkerboor. Daar waar de Militaireweg bij het kanaal komt nog een 15 cm L/24 kanon op affuit en tot slot een 10 cm kanon.

De bemanning van het fort bij Marken-Binnen was zowel belast met de verdediging van de veel kleinere inlaat nabij het fort zelf (voor de Oostwouderpolder) en met deze grote inundatie-inlaat van de Starnmeer. Deze inlaat kreeg al snel de naam “Militaire sluis”. Hij liet het water vanuit de Knollendammervaart door de Starnmeerdijk via een vloeiveld van basaltblokken in een meertje stromen. Op die wijze remde de kracht van het water waarna het kalm de polder onder water kon zetten.

De inlaatsluis is in 1890 gebouwd, met aan de zijde van de Knollendammervaart de huidige nog steeds zichtbare rechte walmuren aan beide zijden van de doorlaat. Onder het wegdek zit als het goed is nog  de restant van de gemetselde doorlaat die ruim 1 meter boven de weg uitstak, zo’n 2,5 meter breed en 50 cm dik was.  Aan de zijde van de Starnmeer was dat veel indrukwekkender. Die laatstgenoemde gemetselde doorlaat was weliswaar identiek maar daarin was ook het draaiwerk aangebracht om de sluis te bedienen. Dat stak daar zo’n meter bovenuit. Ook staken, om het uitstromende water te geleiden, twee wijd uitstaande muren als open armen de polder in. Met elkaar was het sluiswerk toch wel 12 meter breed. De polder heeft als vergoeding in 1890 drie-duizend gulden ontvangen van het ministerie van oorlog.

In 1964 pas is het bovengrondse deel van de sluis aan de kant van de Knollendammervaart gesloopt. De duiker zelf volgestort met beton en de uitloop aan de Starnmeerzijde verwijderd. De firma Th. Wijnants uit Werkendam heeft de sloop uitgevoerd in opdracht van het polderbestuur voor een aanneemsom van 20.600 gulden. Deze firma kocht voor 30.000 gulden ook alle basaltblokken van het vloeiveld. Al met al heeft de polder dus nog een aardige duit verdiend aan deze sloop. In de restanten van het meertje liggen overigens nog heel wat basaltblokken die tijdens de inundaties van 1940 en 1945 meegespoeld zijn met het water.

 

Bron: stellingvanamsterdam.nl & Kees de Wildt