Een héél verre terugblik…

Onderstaande interactieve kaart geeft een beeld van hoe het gebied van de Starnmeer de afgelopen 12.000 jaar is veranderd.

Het lijkt misschien bizar om zo ver terug te kijken – 12.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd, liepen er hier mammoeten rond, hadden de menselijke beschavingen nog niets opzienbarends bereikt en van wat we nu de Starnmeer noemen, was in de verste verte nog niets te zien.

Toch is is het interessant om zo ver terug te kijken. Sterker nog, we gaan even helemaal terug naar het meetbare begin (omdat het kan).

550 miljoen jaar geleden

De geschiedenis van de aarde wordt ingedeeld in geologische tijdperken…

Volgens de gangbare wetenschappelijke inzichten is onze planeet ongeveer 4,6 miljard jaar oud. Het grootste deel van het oppervlak van Nederland is minder dan 2,6 miljoen jaar oud en is gevormd in de laatste (en huidige) geologische periode; het Kwartair. De toplagen van Nederland zijn dus relatief bezien ‘piepjong’.

Afbeelding 1 – Vereenvoudigde geologische tijdschaal op basis van de International Chronostratigraphic Chart (2012).

 

De grenzen tussen de tijdperken – of era – zijn gekozen aan de hand van belangrijke geologische gebeurtenissen. Zo begint het Paleozoïcum met het ontstaan van zeer veel levensvormen aan het begin van het Cambrium. Het Mesozoïcum en het Cenozoïcum beginnen beide na het massaal uitsterven van veel levensvormen, aan het einde van respectievelijk het Perm en het Krijt.

Van de eerste 4 miljard jaar van het bestaan van de aarde is de “positie van Nederland” niet bekend. Onderzoekers hebben tot nu toe tot 550 miljoen jaar geleden kunnen reconstrueren waar ons landje zich ongeveer heeft bevonden.

Op dat moment namelijk was het onderdeel van het micro continent Avalonia, waar toe ook zuidelijk Ierland en zuidelijk Engeland, Belgie, noordelijk Duitsland en de oostelijke delen van de Verenigde Staten en Canada behoorden. De positie was zo ongeveer op de zuidpool. Dat wat op dat moment het grond-oppervlak was van ons land, ligt tegenwoordig in de zeer diepe ondergrond. Zó diep zelfs, dat deze hier nooit zijn aangeboord.
Dit heeft vooral te maken met het feit dat Nederland en de aangrenzende Noordzee  al meer dan 500 miljoen jaar een dalingsgebied is.

Afbeelding 2 – Situatie continenten 550 miljoen jaar geleden.

Afbeelding 3 – Samenstelling van het microcontinent Avalonia.

Ongeveer 490 miljoen jaar geleden brak Avalonia los van het veel grotere continent Gondwana en begon naar het noorden te bewegen.

Afbeelding 4 -Situatie continenten 460 miljoen jaar geleden. Het midden-Ordovicium.

Zo’n 60 miljoen later is het micro-continent tegen de continenten Laurentia en Baltica aan gebotst. Deze vormen daardoor het nieuwe continent Euramerika. De botsingen veroorzaakten enorme gebergten, oranje gemarkeerd in afbeelding 5.

 Afbeelding 5 – De Caledonische orogenese.

In het Carboon (ongeveer 300 à 350 miljoen jaar geleden) botste eerst de archipel Armorica en later het continent Gondwana tegen de zuidzijde van Avalonia. Hierdoor ontstonden weer nieuwe gebergten. Bovendien waren bijna alle continenten nu weer bij elkaar en vormen het nieuwe supercontinent Pangea.

 Afbeelding 6 – De vorming van Pangea, zo’n 310 miljoen jaar geleden

Nederland lag op dat moment ongeveer op de evenaar. Deze ligging, gecombineerd met een gunstig klimaat, maakte een weelderige plantengroei mogelijk. Hierdoor konden zich dikke veenpakketten vormen, die tegenwoordig nog diep in de Nederlandse ondergrond zijn terug te vinden in de vorm van een 100 meter dikke laag steenkool.

Het totaal aan afzettingen uit het laat Carboon (in Nederland ook wel het Selesiën genoemd) is in Nederland plaatselijk wel 5,5 kilometer dik. Hiermee is het dikker dan alle afzettingen uit de miljoenen jaren erna samen.

 Afbeelding 7 – Doorsnede van Nederland en het bijbehorende deel van de Noordzee.

 

250 miljoen jaar geleden

Trias, Jura en Krijt

250 tot 145 miljoen jaar geleden was de periode van het Trias en het Jura, waarin de dinosauriërs hun opmars maakten. In deze periode brak het supercontinent Pangea uiteen tot een noordelijk Laurazië en een zuidelijk Gondwana. Gondwana brak vervolgens nog verder op door een rift tussen Zuid Amerika en Afrika enerzijds en Australië, Madagaskar, Antarctica en India anderzijds.

Aan het einde van deze periode ontstond ook ‘s Neerlands enige bekende vulkaan. Deze zogeheten Zuidwalvulkaan bevind zich op ruim 2 kilometer diepte, ten zuidoosten van Vlieland.

 Afbeelding 8 – Situatie van de continenten 80 miljoen jaar geleden

Van 145 tot 66 miljoen jaar geleden was het het tijdperk van het Krijt, welke eindigde met het bekende uitsterven van de dinosauriers. Als belangrijkste reden hiervoor werd het inslaan van een asteroïde in de buurt van Mexico genomen, maar de planeet zelf was op dat moment ook erg in beweging. Zo was er bijvoorbeeld grootschalig vulkanisme.

De continenten zijn ook sterk in beweging; Zuid-Amerika en Afrika zijn inmiddels opgebroken en de Noord-Atlantische rift begint in te ontstaan. In eerste instantie tussen de oostkust van Noord-Amerika en Groenland.

Het Krijt werd opgevolg door het Paleogeen en het Neogeen. In deze periode botsen Afrika, India en een aantal microcontinenten tegen de zuidelijke zijde van het Euraziatisch continent. Hierdoor ontstonden in Europa onder andere de Pyreneeën, de Alpen en de Karpaten. Oostelijker verschenen de Kaukasus en de Taurus en nog oostelijker loopt dit gebergte door in de Himalaya. Deze bergvormingen zijn tegenwoordig nog steeds aan de gang.

 Afbeelding 9 – Alpiene structuren in het Middenlandse Zeegebied en het Midden-Oosten.

Door de verschuiving van Noord-Amerika en Groenland, weg van Eurazië, en het ontstaan van de genoemde Alpiene structuren, wordt de Euraziatische plaat in een rekregime gebracht, wat onder andere het ontstaan van het Noordzee-bekken tot gevolg heeft.

In dit doorgaand dalende Noordzee-bekken, is in de loop der jaren een bijna 3,5 kilometer dik pak aan sedimenten afgezet. Nederland ligt in het uiterste zuiden van dit bekken.

 Afbeelding 10 – De-omvang-van-het-Noordzee-bekken-met-de-dikte-van-de-cenozoische-sedimenten.

Vooral in het paleogeen (66 tot 39 miljoen jaar geleden) stond de zeespiegel bijzonder hoog, waardoor Nederland diep onder water kwam te liggen. Dit geld in mindere mate ook voor het Neogeen (23 tot 2,6 miljoen jaar geleden). Alle afzettingen in het Noordzee-bekken uit deze periode bestaan dan ook uit mariene (zee) afzettingen.

In het warme Eoceen waren de polen niet bedekt met ijs en stond de zeespiegel ongeveer 200 meter hoger dan nu.

2,6 miljoen jaar geleden

De laatste periode van het Cenozoïcum, het Kwartair genoemd, begon 2,6 miljoen jaar geleden. Het Kwartair wordt ingedeeld in de tijdvakken Pleistoceen (2,6 miljoen tot 12.000 jaar geleden) en het Holoceen. Het Holoceen is de tijdvak waarin wij ons nu nog altijd bevinden.

 Afbeelding 11 – Diepteligging van de onderkant van de Kwartaire afzettingen

 

 

Het Pleistoceen

 Het pleistoceen wordt gekenmerkt door afwisselend koude en gematigd warme perioden.

Afbeelding 12 – Indeling van het Kwartair in warme en koude perioden

 

 

De fluctuaties hadden natuurlijk gevolgen voor het niveau van de zeespiegel; sinds het begin van het Holoceen is de zeespiegel ongeveer 125 meter gestegen. In de voorgaande warme periode (het Eemien, omstreek 120.000 jaar geleden), was het nog iets warmer en stond de zeespiegel dus ook nog iets hoger.

In afbeelding 13a en -b zijn enkele paleografische kaarten te zien die tonen wat voor verschillende afzettingen er in het Pleistoceen in Nederland zijn gedeponeerd.

Er worden 4 verschillende typen onderscheiden:

– Glaciale afzettingen door gletsjers in koude perioden (potklei, keileem, stuwwallen).
– Fluviatiele afzettingen door rivieren.
– Mariene afzettingen door de zee.
– Overige afzettingen, zoals veen, eolische (door de wind) afzettingen zoals löss, en fluvioperiglaciale afzettingen (smeltwater).

Grondsoort-technisch heeft een eolische afzetting zoals duinzand doorgaans een vrij los karakter, terwijl glaciaal zand zeer compact kan zijn. Mariene afzettingen kunnen vrij homogeen zijn, terwijl gestuwde glaciale afzettingen op korte afstond grote verschillen kunnen vertonen. Meanderende rivieren kunnen zowel grove zanden afzetten als klei, afhankelijk van de stroomsnelheid van het water.

 Afbeelding 13a – Paleografische kaarten van enkele Pleistocene perioden

 Afbeelding 13b – Paleografische kaarten van enkele Pleistocene perioden

De koude afzettingen van het Elsterien, het Saalien en het Weichselien en de warme afzettingen van het Eemien en het huidige Holoceen bedekken het grootste deel van Nederland. Waarschijnlijk staan ook de meeste huizen in ons land op de zandlaag die eolisch is afgezet tijdens het Weichselien; de laatste ijstijd, waarin Nederland niet bedekt werd door landijs.

Landijs 

Tijdens het Elsterien was het noordelijke deel van Nederland wel bedekt met landijs, zoals in afbeelding 13a, figuur d te zien is.

Tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd (238.000 tot 128.000 jaar geleden), was dit ook het geval. De gletsjers hebben toen ongeveer de lijn Haarlem – Nijmegen bereikt. Op deze lijn zijn ónder de gletsjertongen glaciale bekkens ontstaan en tússen de gletsjertongen stuwwallen, zoals te zien is in afbeelding 14.

De Starnmeer ligt ruwweg in een glaciaal bekkengebied, waarvan de deels met keileem bedekte bodem bij ons op pakweg 50 tot 40 meter diepte zit. Keileem is het materiaal dat onder een gletsjer wordt afgezet en bestaat uit een ongesorteerd mengsel van klei, leem, zand en grote keien. Deze materialen zijn meegevoerd in de onderste lagen van de gletsjer en zijn blijven liggen nadat het ijs gesmolten was.

De keileem laag onder onze voeten staat officieel bekend als de “formatie van Drenthe”.

 Een ander, nog altijd zichtbaar, verschijnsel zijn de keileem opstuwingen die onder andere Texel, Wieringen en het Friese Gaasterland hun bestaan te danken hebben.

 De gletsjers hebben in het midden van Nederland voor een flinke chaos in de ondergrond gezorgd.

Afbeelding 14 – Stuwwallen en glaciale bekken uit het Saalien

Tijdens het Eemien, de voorlaatste warme periode, 128.000 tot 116.000 jaar geleden, steeg de zeespiegel zo’n 4 tot 6 meter boven het huidige niveau en werd Nederland deels overstroomd.

 Zo ook het gebied waar nu de Starnmeer ligt. In de overstroomde glaciale bekkens werd klei afgezet, welke bekend staat als Eemklei. De officiële naam voor deze kleilaag is “de Eem formatie” en deze ligt dus bovenop de “formatie van Drenthe (afbeelding 15). Deze kleilaag zit bij ons op pakweg 40 tot 30 meter diepte.

 Tijdens het Weichselien, oftewel de laatste ijstijd (116.000 tot 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet, maar het klimaat had wel een wisselend verloop. De koudste periode was aan het einde van het Wechselien, zo’n 18.000 jaar geleden waardoor op dat moment de zeespiegel zo’n 100 tot 130 meter lager lag.

 In de begintijd van het Wechselien liep de route van de Rijn grofweg over het midden van Noord-Holland (wat het al 500.000 jaar lang af en aan deed), om van daar langs de huidige kustlijn naar het zuiden te stromen, zoekende naar de zee. Dit zorgde voor fluviatiele afzettingen in ons gebied, die we nu de “formatie van Kreftenheye” noemen. De afzetting bestaat uit zand en grind en kennen wij bouwtechnisch als de tweede zandlaag.

 Na verloop van tijd wijzigde de route van de Rijn meer naar het zuiden, en werden het vooral eolische afzettingen die in dit gebied voor de verder grondopbouw zorgden. Zoals gezegd lag de zeespiegel laag, waardoor de Noordzee grotendeels niet meer bestond. Het zand uit dit enorme kale gebied werd over noordelijk Nederland geblazen en vormde de “formatie van Boxtel” oftewel de eerste zandlaag! In het zuiden, waar de wind luwde, daalde het fijnere löss neer.

West-oost-doorsnede-langs-de-lijn-Noord-Holland-Drenthe

Ten tijde van deze koude periode veranderde het Nederlandse landschap van parkachtige begroeiing in een poolwoestijn. Enorme grasvlakten reikten van Engeland tot aan Siberië en waren uitermate geschikt voor grote kuddes rendieren, steppewisenten en wolharige mammoeten, die op hun beurt weer opgejaagd werden door wolven, grottenleeuwen en grottenhyena’s. Dit ecosysteem wordt ook wel de mammoetsteppe genoemd en er is op dit moment geen ecosysteem op aarde die hiermee valt te vergelijken.

 En toen kwam het moment waarop het Wechselien ten einde kwam. Het klimaat werd warmer, het ijs in het noorden trok zich terug omhoog en de zeespiegel steeg langzaam, om de Noordzee opnieuw te vullen. De begroeiing begon te veranderen en de Mammoeten verdwenen permanent van de aardbodem.

 Het was het begin van ons Holoceen.

 

 

Voornaamste bron: http://www.geologienederland.nl/files/ftp/1-2-3%20Geologie%20Definitief.pdf

 

 

 

 

11.600 jaar geleden

Het Holoceen

Het Holoceen omvat de afgelopen ruim elfduizend jaar. Geologisch gezien is dat dus bijna niets. Toch vonden er in deze korte periode op wereldschaal dramatische veranderingen plaats. Het tijdvak is te typeren als het interglaciaal waarin de mens de aarde overneemt. Bijna alle uithoeken van de wereld raken bewoond en de natuurlijke ecosystemen worden steeds verder teruggedrongen. Dat geldt zeker voor Nederland, waar in een paar duizend jaar tijd een volledige transformatie heeft plaatsgevonden van bos- en moerasecosystemen naar een volledig door mensenhanden ingericht landschap. Dit is het gevolg van de overgang van een jagend en verzamelend bestaan naar landbouw. De mens vestigde zich in nederzettingen en ging zijn woonomgeving aanpassen aan zijn behoeften. Bossen werden gekapt om ze in cultuur te brengen als bouwland voor het telen van gewassen.

Wereldwijd is het Holoceen de tijd waarin de zeespiegel snel steeg door het smelten van de poolkappen, om vervolgens zo’n vijfduizend jaar geleden te stabiliseren rond het huidige niveau. Tegen die tijd kwamen ook de grenzen van de belangrijkste wereldecosystemen, zoals woestijnen en gematigde bossen, op hun huidige plaats te liggen. Wat het Holoceen als tussenijstijd bijzonder maakt is dat het al vele duizenden jaren een redelijk stabiel klimaat kent. In eerdere tussenijstijden waren forse klimaatschommelingen eerder regel dan uitzondering. Met de opkomst van de mens zijn er overal ter wereld beeldbepalende dieren en zelfs ecosystemen (vrijwel) verdwenen. Zo zul je bijna nergens in West-Europa nog echt oerbos of roedels wolven tegenkomen, terwijl ze hier van nature wel thuishoren.

In het begin van het Holoceen lag de zeespiegel dertig tot veertig meter lager en lag de kust veel verder noordwestwaarts dan tegenwoordig, maar door water afkomstig van smeltende landijskappen stegen de waterstanden wereldwijd in rap tempo. De zee naderde vanuit het Kanaal en vanuit het noordwesten. De eerste duizend jaar van het Holoceen bestaat Nederland wat planten betreft uit een nogal soortenarm landschap, gedomineerd door berken, dennen en kruiden (waaronder heide).  De beginperiode van het Holoceen valt in de Midden-Steentijd (Mesolithicum, ca. 8800-4900 voor Christus). De mensen speelden toen nog een bescheiden rol in het landschap. Het waren kleine groepjes jagers/verzamelaars die niet aan een vaste plaats waren gebonden. Ze namen wat ze aan voedsel en grondstoffen nodig hadden uit de natuur maar verstoorden het ecologische evenwicht niet. Ze maakten hun werktuigen van botten, hout en (vuur)steen. Mesolithische mensen liepen in vrijwel alle huidige provincies rond en ook op de bodem van de Noordzee, voordat die vol begon te lopen. Deze mensen behoorden tot de zogenaamde Maglemosecultuur, die ook bekend is uit Denemarken. Vandaag de dag krijgen vissers nogal eens de van bot en steen gemaakte werktuigen in hun netten en soms ook skeletresten van mensen.

Ongeveer duizend jaar na het begin van het Holoceen komen eik, els, hazelaar en iep sterk op en worden de Nederlandse bossen diverser van samenstelling. Tegelijkertijd verliezen den en berk terrein. Bekende bewoners van ons land, zoals everzwijn, ree en vos, liepen in de bossen rond, maar ook bruine beer, edelhert, eland, oeros en wolf – dieren de grote uitsterving golf van de laatste ijstijd hadden overleefd – voelden zich in Nederland thuis.

In de loop van het Holoceen werd de samenleving steeds complexer en de mens breidde zijn leefgebied steeds verder uit. De laaglandgebieden van Nederland werden steeds vaker bezocht en uiteindelijk permanent bewoond  door mensen. Het was een ideaal jachtgebied, vooral in seizoenen zoals de herfst, waarin zich in de drassige kuststreken duizenden watervogels verzamelden die op trektocht waren naar het zuiden.

Het middendeel van het Holoceen valt samen met de Jonge Steentijd (Neolithicum, ca. 5300-2000 v. Chr.). In deze periode deed de landbouw zijn intrede, het eerst in Zuid-Limburg, later op de hoge zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland en nog later in de kustgebieden en laagland moerassen. Door het verbouwen van voedsel raakten mensen meer gebonden aan vaste woonplaatsen. Zowel de productie van aardewerk-potten, maar ook steen- en houtbewerking ontwikkelden zich verder. In het Neolithicum doet een nieuwe manier van steenbewerking zijn intrede. Uit vuursteen gekapte bijlen worden geslepen, zodat een scherpere snede ontstaat, die bovendien door bijslijpen voortdurend scherp te houden is. Met dit soort bijlen is het omhakken van een boom een fluitje van een cent. Dergelijke bijlen stelden de eerste landbouwers in staat om een begin te maken met de ontbossing van Nederland.

In het Neolithicum (ca. 4500 v. Chr.) bereikte de zeespiegel zijn huidige stand. Grote delen van West-Nederland waren onderdeel van een waddengebied, maar door opslibbing en de vorming van veen werd de kustlijn weer naar het westen en noorden gedreven.

De intrede van brons betekende een grote sprong voorwaarts voor de mens. Landbouwwerktuigen, ingewikkelde sieraden en veel verfijndere bouwconstructies behoorden nu tot de mogelijkheden. Tijdens de bronstijd (ca. 2000-800 v. Chr.) nam het landbouwareaal dan ook duidelijk toe. Dit is bijvoorbeeld te zien in de toename van stuifmeelkorrels (pollen) van landbouwgewassen, zoals emmer en eenkoorn (beide granen met weinig zaden op de halmen), die in opgegraven nederzettingen worden aangetroffen. In de bronstijdafzettingen zien we het aandeel aan pollen van bomen verminderen, wat wijst op het in toenemende mate kappen van bossen. Rond 2000 v. Chr. slibde de kustvlakte helemaal dicht en nam de invloed van de zee af.

In de ijzertijd (ca. 1200 – 800 v. Chr.) kwam het Nederlandse laagland weer vaker onder invloed van de zee: tijdens regelmatig optredende transgressies raakten stukken kust overspoeld. De culturele innovaties zetten in deze periode door, zoals het eergetouw, de voorloper van de ploeg.

De Romeinen (12 v. Chr. – 450 na Chr.) waren met hun wegen en bebouwing hun tijd ver vooruit, al bleven grote delen van Nederland nog maar gedeeltelijk ontwikkeld cultuurland. Met name de veenmoerassen waren moeilijk te koloniseren en de Rijn vormde een natuurlijke grens voor het grote Romeinse Rijk.

Pas in de middeleeuwen (450-1500), vooral in de late middeleeuwen (1050-1500), werden de veenmoerassen ontgonnen. Langs rivieren en de kust werden dijken aangelegd en veengebieden werden ontwaterd door het graven van sloten, waarmee ze toegankelijk werden voor permanent gebruik. In deze tijd ontstond een vrij hechte maatschappij die georganiseerd was rond bijvoorbeeld waterschappen of de standenmaatschappij.

Nederlanders zetten het land steeds meer naar hun hand. Dat deden ze zo efficiënt dat bossen grotendeels verdwenen. Kusterosie nam toe, waardoor er meer zand beschikbaar kwam voor duinvorming. In deze periode ontstonden de hoge duinen. Als gevolg van de actieve duinvorming werden veel oude cultuurlandschappen overstoven. Pas in de negentiende eeuw werden de hoogveengebieden ontgonnen. Met de industriële revolutie kwam het stedenlandschap tot ontwikkeling en groeide Nederland uit tot een van de meest verstedelijkte landen ter wereld.

Een geologische blik op de nabije toekomst leert dat er drie zaken zijn die in Nederland spelen. Ten eerste de algehele daling van ons land (met uitzondering van de grensgebieden in het oosten en zuiden). De daling van Nederland is een geologisch proces waaraan ons land al miljoenen jaren blootstaat en waar de mens geen invloed op heeft. Ten tweede is de verwachting voor de komende paar duizend jaar dat er een nieuwe ijstijd komt. Ten derde zal de mogelijke zeespiegelrijzing Nederland parten gaan spelen.

Het Holoceen is een tussenijstijd. In het Vroeg-Holoceen was er nog het laatste staartje merkbaar van de mondiale opwarming na de laatste ijstijd. Het overgrote deel van het Holoceen is klimatologisch behoorlijk stabiel. Binnen het Holoceen zijn er wereldwijd, maar ook in Nederland, nog wel merkbare kleinere variaties geweest. Zo is er vroeg in het Midden-Holoceen (ca. 9200-5700 jaar geleden) een natte periode geweest die vrijwel zeker heeft bijgedragen aan een grote uitbreiding van het hoogveen-areaal. Ook zijn er relatief kleine verschillen geweest in jaartemperaturen. Een bekend voorbeeld is de ‘kleine ijstijd’, tussen de vijftiende en negentiende eeuw. De gemiddelde jaartemperatuur lag toen ongeveer een halve graad onder het gemiddelde in het Holoceen. De beduidend strengere winters in die periode vinden we nog terug op schilderijen waarin heel Nederland op het ijs lijkt te leven.

Tijdens het Holoceen ontwikkelden zich op uitgebreide schaal kwelders in de kustzone. Ze waren rijk aan watervogels. In ondiepe kustwateren kwamen zeegrasvelden voor. In zoetwatergetijdegebieden ontstonden wilgenbossen. Landinwaarts lagen uitgestrekte laagveenmoerassen, waarin bijvoorbeeld berken, elzen en populieren en uitgestrekte rietlanden voorkwamen. Dit laagveen was gebonden aan grondwater. Zodra het veenpakket omhooggroeide, kwam het buiten het bereik van grondwater. Als er veenmos (Sphagnum) groeide kon lokaal op laagveen hoogveen tot ontwikkeling komen. Hoogveen gedomineerd door zegge en veenmos kwam uitgebreid voor op de hogergelegen zandgronden waar regenwater door de samenstelling van de bodem slecht werd afgevoerd (bijvoorbeeld omdat er een keileemlaag onder het zand lag). Op de beter gedraineerde zandgronden, zoals op de stuwwallen en langs rivieroevers, ontstonden eiken-hazelaar- en beukenbossen. In het Limburgse heuvelland stonden ook lindebossen.

Zo’n zesduizend jaar geleden waren beer, eland, oeros en wolf nog onderdeel van de inheemse fauna. In de elfde eeuw werd de bruine beer in ons land uitgeroeid. De laatste wilde wolf werd in 1897 waargenomen in de buurt van Heeze in Noord-Brabant. De huidige fauna in natuurgebieden als de Oostvaarderplassen en de Hoge Veluwe geven een aardig beeld van de fauna later in het Holoceen. De verstedelijking zorgde er echter voor dat veel soorten verdween. Zo waren er in de Middeleeuwen nog jachtverordeningen voor beren en elanden. De mens zorgde niet alleen voor het verdwijnen van soorten. Hij bracht ook planten en dieren van elders naar ons land. De Romeinen introduceerden bijvoorbeeld de tamme kastanje (Castanea sativa) vanuit Italië en het konijn (Oryctolagus cuniculus) van het Iberisch Schiereiland. Vikingen namen de strandgaper (Mya arenaria) mee van de Atlantische kust van Noord-Amerika. De komst van uitheemse dieren en planten heeft vooral in de twintigste eeuw, met de opkomst van massatransport, epidemische vormen aangenomen.

De Holoceenafzettingen zijn onderverdeeld in rivierafzettingen (klei, zand en grind van de Formatie van Echteld), veen van de Formatie van Nieuwkoop, lokaal stuifzand van de Boxtelformatie en zeeklei en duin-en strandzand van de Westland Formatie. De verspreiding van Holocene formaties komt vrijwel overeen met de ligging van de belangrijkste landschapstypen, zoals het rivierenlandschap of het veenlandschap.

Bijna de hele oppervlakte van West- en Noord-Nederland en het rivierengebied bestaat uit holocene afzettingen. Echter, veel van de oorspronkelijke afzettingen en landvormen zijn door vergaande bebouwing en ontginning verloren gegaan. Veen, met name hoogveen, is daarvan het meest sprekende voorbeeld.

Rivierzand en -grind wordt op grote schaal gewonnen voor bouwwerkzaamheden. Hoewel een deel van Pleistocene ouderdom is, is een aanzienlijk deel van Holocene ouderdom. Hoogveen en laagveen zijn in het verleden afgegraven en als turf verkocht om de huizen mee te verwarmen. Ook is er in de middeleeuwen zout gewonnen uit afgegraven laagveen. Duinzand is in het verleden gebruikt bij stedenbouw. Zeezand wordt ook als bouwzand gebruikt, maar wordt tegenwoordig vooral toegepast in kustverdedigingswerken en landaanwinning.

 

 

Voornaamste bron: http://www.geologievannederland.nl/tijd/reconstructies-tijdvakken/holoceen

 

 

 Afbeelding 16 – Stijging van de zeespiegel aan het begin van het Holoceen

 

Bronvermelding

Archeologisch Bureauonderzoek Starnmeerpolder
Onderzoek in verband met de geplande dijkverzwaringen om de Starnmeer, in opdracht van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Gekende Landschappen (2018-2022)
Geactualiseerde informatiebundel over landschapstypen en gewenste en ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeenten Castricum en Uitgeest.

Wikipedia over het Weichselien

Geologie van Nederland
Over het Holoceen

Aardkundige monumenten Noord-Holland
Een overzicht van het Aardkundig Erfgoed in de provincie aan de hand van historische prenten

Provinciale atlas
Collectie prenten en kaarten van de provinciale Atlas Noord-Holland

Zicht op het oer-IJ
Plan van Aanpak, Geopark Oer-IJ in oprichting

Dijken, linten en paden in Zaanstad
Cultuurhistorische Verkenning Historische dijken, linten en paden gemeente Zaanstad